Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Jacobus Revius - Scheppinge

Er waren veel dichtende predikanten in de zeventiende eeuw, Revius was er één van. Zijn werk was echter niet zo populair als dat van zijn vakbroeders die herdruk na herdruk beleefden. Zijn poëzie was van een hoog intellectueel gehalte en daarom werd het slecht verkocht onder de eenvoudige gelovigen. Voor de zogenaamde tweede druk van zijn Over-Ysselsche sangen en dichten werden de vellen van de eerste druk van een nieuwe titelpagina voorzien. Pas in de negentiende eeuw is Revius 'ontdekt' en sindsdien wordt hij alsnog algemeen tot de grote zeventiende-eeuwers gerekend.

Revius stelt in zijn gedicht God voor als een instrumentenmaker die een mooi snaarinstrument heeft ontworpen en gebouwd. Eigenlijk is de schepping van de hemel en de aarde dat instrument. Elke scheppingsactiviteit is een nieuw vernuftig onderdeeltje met allerlei nieuwe aspecten. Op deze manier wil Revius het ingewikkelde en onnavolgbare van de schepping laten zien.

Scheppinge (1634)

God heeft de werelt door onsichtbare clavieren
Betrocken als een luyt met al sijn toebehoor.
Den hemel is de bocht vol reyen door en door,
Het roosken, son en maen die om ons hene swieren.

Twee grove bassen die staech bulderen en tieren
Sijn d'aerd en d'oceaan: de quinte die het oor
Verheuget is de locht: de reste die den choor
Volmaket, is 't geboomt en allerhande dieren.

Dees luyte sloech de Heer met sijn geleerde vingers,
De engels stemden in als treffelicke singers,
De bergen hoorden toe, de vloeden stonden stil:

Den mensch alleen en hoort noch sangeren noch snaren,
Behalven dien 't de Heer belieft te openbaren
Na zijn bescheyden raet en Goddelijcken wil.

In de laatste regels concludeert Revius dat niet iedereen de speciale muziek van dit instrument kan horen, God zelf beslist aan wie hij het zal openbaren.

Heeft betrekking op:

Genesis 1:1