Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Jacobus Revius - Seven martelaers met haer moeder

In Over-Ysselsche sangen en dichten (1630) treffen we ook een sonnet aan over het gruwelijke verhaal uit 2 Makk. 7. Koning Antiochus heeft zeven broers met hun moeder laten oppakken omdat zij weigeren varkensvlees te eten. Hij laat de zeven voor het oog van hun moeder één voor één villen en levend braden. In plaats van te bezwijken praat de vrouw op haar zonen in: houd moed, houd vast aan Mozes' wet en vertrouw op God, want hij zal zich over ons ontfermen. Nadat alle zeven zijn omgebracht, 'zonder zich aan onreinheid schuldig gemaakt te hebben en in volkomen vertrouwen op de Heer', sterft de moeder als laatste.

Revius concentreert zich in zijn gedicht op de moeder, geheel in de lijn van het 20e vers: 'Nog bewonderenswaardiger was de moeder. Als iemand het verdient dat haar nagedachtenis in ere wordt gehouden, is zij het wel. In één dag tijd zag ze haar zeven zonen omkomen, maar ze doorstond het heldhaftig, omdat ze haar hoop op de Heer gevestigd hield.' Revius schrijft dat zij haar kinderen door haar bemoedigende woorden ('wt hare lippen root') behouden heeft voor het leven na de dood, oftewel: 'ten tweeden-mael gebaert tot een veel beter leven'.

Seven martelaers met haer moeder wt de Machabeen

Dien goddelijcken stam, die moeder vande seven
Die voor de reyne wet omhelseden den doot
Bevant haer in een uyr van kinderen ontbloot,
Die siende den tyran onnosel overgeven.
Sy leerdese voor vier noch yser niet te beven,
Sy gafse hert en moet in haren hogen noot;
Sy heeft haer lieve vrucht wt hare lippen root
Ten tweeden-mael gebaert tot een veel beter leven.
Al wat aen hooft, aen borst, aen vinger, of aen tee
Met roede, strop, of bijl men aen haer schaepkens dee
Dat leet zy dubbelt aen haer moederlijcke ogen:
Maer alsse had aenschout dat niemant en besweeck
Sy die in Godes liefd' haer sonen niet en weeck
Is door den selven wech ten hemel op getogen.

Bibliografische referenties

Jacobus Revius, 'Seven martelaers met haer moeder wt de Machabeen' in: Over-Ysselsche sangen en dichten, eerste boeck. [Dit werk is ook te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

2 Makkabeeën 7:1-41