Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Jacobus van Looy - De wonderlijke avonturen van Zebedeus

Jac. van Looy heeft vooral naam gemaakt met Jaapje (1917), de herinneringen aan zijn kindertijd in het Haarlemse Weeshuis. Dat boek heeft al zijn andere werk naar de achtergrond verdreven. Eerder al, in 1910, was het eerste deel van De wonderlijke avonturen van Zebedeus verschenen; in 1925 volgden deel 2 en 3. Hoewel de lezers erkenden dat het heel origineel was en knap geschreven, wisten ze niet goed wat ze met die 'grillige losse bundeling van fantasierijke invallen' aan moesten. Achteraf concludeerde iemand: "Zij houden van Jaapje, doch zij bewonderen Zebedeus."

De wonderlijke avonturen van Zebedeus lijkt een soort grabbelton met verhalen, beschouwingen, theaterstukjes en gedichten. Alles wordt aangeboden binnen een ingewikkeld raamwerk, waarin een verzamelaar de literaire erfenis van zijn oom presenteert en van commentaar voorziet. Op deze manier zou Van Looy zich kritisch hebben uitgelaten over tijdgenoten, modieuze verschijnselen en dubieuze geestelijke stromingen. Volgens sommigen is het boek te lezen als een sleutelroman over het literaire bedrijf zijn tijd.

Aan het begin van het boek wordt verteld waar de naam Zebedeus vandaan komt: uit het Nieuwe Testament, waar de twee zonen van Zebedeus, Johannes en Jakobus, als leerlingen van Jezus optreden.
(Van Looy verwijst in onderstaand citaat eerst naar het personage Johan uit zijn prozaschetsen Gekken, die vanaf 1890 in de Nieuwe Gids verschenen waren en in 1892 werden gebundeld.)

De held van het verhaal der Gekken, Johan daar geheeten, in vertrouwelijke afkorting van Johannes, een naam, niet waar, mijn lieve vrienden, dewelke ten onzent een goeden klank heeft, droeg in de werkelijkheid, gelijk vele verdichte figuren met hem, een gansch anderen naam. Hij noemde zich in waarheid Jacques. En om nu eens en vooral deze gewichtige zaak te beslechten, u daarbij tevens een merkwaardigen blik gunnend op het zielkundig gegeven: langs welke wonderlijke wegen soms kunstenaars komen tot de namen hunner fictieve gestalten, - zij het hier medegedeeld en geboekstaafd, dat hij dezen testamentischen naam bij zijn geboorte ontving, onder dezen naam door zijn ouders werd aangeboden in de Waalsche gemeente te Gorichem, voornoemd is geworden naar Jacques Zébédée, die, zooals ons uit de Schrift bekend is, een broeder was van Jean, van Johannes Zebedeus. Nu dan, deze Jacques, alias Johan, de hartstochtelijke reiziger, staat op het einde van het verhaal - al wie het bezit, kan er het boek op naslaan, - te droomen op de plecht van het hem thuis-voerende schip, dat naar de wereldzee de Atlantic was geheeten. (p. 6)

Bibliografische referenties

Jac. van Looy, De wonderlijke avonturen van Zebedeus (dl. I) Amsterdam: S.L. van Looy, 1925. [Dit boek is ook te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

Marcus 1:19, Marcus 3:17, Matteüs 4:21