Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Jan H. de Groot - Jeremia

In 1941 publiceerde Jan H. de Groot zijn 'sonnettenreeks' Jeremia. In hetzelfde oorlogsjaar verscheen ook het Nieuw Geuzenliedboek, een bundel verzetspoëzie die mede door hem werd samengesteld. In het portret van De Groot in De Nederlandse en Vlaamse auteurs wordt opgemerkt: 'Met name de sonnettencyclus Jeremia bevat de profetische thematiek ingegeven door een non-conformistische waarheidsdrang, die zijn verzetspoëzie kenmerkt.'

In de sonnettencyclus Jeremia presenteert De Groot het hele bijbelboek in 25 sonnetten. Telkens is een concreet vers of een passage uit een hoofdstuk het uitgangspunt voor een poëtische bewerking. De dichter verdeelt zijn aandacht niet helemaal gelijkmatig over het bijbelboek. Zo leidt de roeping van Jeremia (hoofdstuk 1) tot drie sonnetten, en wordt Jer. 20-21:10 in maar liefst vijf sonnetten behandeld.
Hieronder een drietal sonnetten uit de reeks, met de bijbehorende bijbeltekst.

Toen zeide ik: Ach HEERE HEERE, ik kan niet spreken want ik ben slechts een jongeling. Jer. 1:6

Zie HEER, de bergen van dit groene land
omsluiten en beschermen Anatoth,
een merelnest gevat in tak en loot
vast in hun sprong tegen den storm geplant.

Zal ik, de jongste, uitvliegen en den dood
aankondigen? Als Uwe afgezant
den oorlog melden, honger en brand,
de straf waartoe Gij in Uw toorn besloot?

Omdat Uw volk, de eerst'ling in Uw hand,
gekoesterd als het edelste kleinood,
Uw heil verried aan elken heuvelrand,

Hoe kiest Gij mij? Ik ben Uw zwakst genoot,
een schuwe knaap, moeilijk in 't spreken, want
ik ben de jongste aan mijn moeders schoot.

Vertrouw niet op leugenwoorden zeggende: Des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, des HEEREN tempel is dit. Wij zijn veilig. Jer. 7:4-16

Denk niet: Gods tempel is in onze stad,
nu zijn wij veilig tot in eeuwigheid,
God zal zich nimmer werpen in een strijd
tegen Zich zelf, Zijn huis, Zijn erf en pad.

Want ik voorzeg u: Hij doorziet uw nijd,
uw rotte daân als een doorzichtig blad
en voor Zijn oog zijt gij een ledig vat,
dat men in 't vuur werpt als onnuttigheid.

De HEER heeft u reeds in den nek gevat
en opgerukt uit uw genoegzaamheid,
zooals een hond zich stort over een rat,

hem in zijn muil schudt, breekt en openrijt.
Zoo zal de HEER u doen en uwe stad
en niet bewogen zijn voor uw gekrijt.

Als nu Jehudi drie of vier kolommen gelezen had, sneed de koning ze met een mes stuk en wierp ze op het vuur. Jer. 36:1-32

Gij hebt de schriftrol van mijn hand verbrand.
Maar wat in rook vervloog was slechts papier.
Het Woord gaat rond als een gevleugeld dier,
een vogel die ontsnapt aan uwe hand

en zich verheft en neerstort als een gier
en overmeestert uw geliefdste pand.
En zie, het heeft zich tegen u gekant
en zoekt u te verstikken als een wier.

Wie zijt gij koning in uw onverstand?
Uw macht is voor den HEERE als een sier.
Hij rukt het af en werpt het aan den wand.

Want 's HEEREN Woord is als een vlijm rapier
en feller dan de vlammen van uw brand.
- Wat in zijn rook vervloog was slechts papier.

Bibliografische referenties

Jan H. de Groot, Jeremia, een sonnettenreeks. Nijkerk: Callenbach, z.j. [1941].

G.J. van Bork & P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs

Heeft betrekking op:

Jeremia 1:6, Jeremia 7:4, Jeremia 36:23