Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Jan Kal - Mont Ventoux

Op 1 augustus 1971 schreef de dichter Jan Kal na een succesvolle beklimming van de Mont Ventoux het volgende sonnet:

Mont Ventoux

Dichten is fietsen op de Mont Ventoux,
waar Tommy Simpson nog is overleden.
Onder zo tragische omstandigheden
werd hier de wereldkampioen doodmoe.

Op deze col zijn velen losgereden,
eerste categorie, sindsdien tabu.
Het ruikt naar dennegeur, Sunsilk Shampoo,
die je wel nodig hebt, eenmaal beneden.

Alles is onuitsprekelijk vermoeiend,
de Mont Ventoux opfietsen wel heel erg,
waarvoor ook geldt: bezint eer gij begint.

Toch haal ik, ook al is de hitte schroeiend,
de top van deze kaalgeslagen berg:
ijdelheid en het najagen van wind.

In eerste instantie lijkt dit gedicht te gaan over de ervaring van een wielertoerist: het bedwingen van 'le géant de la Provence'. Bij nadere beschouwing blijkt het beklimmen van deze historische col, waar in 1967 de Britse ex-wereldkampioen fietsen Tommy Simpson tijdens een Tour-etappe aan uitputting bezweek, een beeld te zijn voor het dichterschap (r. 1).

In het sextet worden het fietsen én het dichten beide als voorbeelden van al het menselijk streven in het perspectief van Prediker geplaatst. Het refrein van de eerste vier hoofdstukken van Prediker (in de oude vertaling) 'Alle dingen zijn onuitsprekelijk vermoeiend', 'Welk voordeel heeft de mens van al zijn zwoegen waarmee hij zich aftobt onder de zon?' en vooral 'Alles is ijdelheid en najagen van wind' komt in deze regels expliciet terug. En daarmee krijgt ook het "bezint eer gij begint" (r. 11) een diepe, existentiële betekenis. De slotregel bevat ook nog een spel met de naam van de berg: Mont Ventoux betekent winderige berg. Wie deze berg per fiets beklimt, heeft vaak wind mee: het najagen van de wind. Tegelijk is het bovenste deel van de berg, het bekende ‘maanlandschap’, bij warm weer zuurstofarm: lucht en leegte dus – en zo past dit gedicht zowel bij de oude als bij de nieuwe bijbelvertaling.

Een aardig detail is dat Kal in feite een ervaring van de Italiaanse dichter Petrarca herbeleeft. Toen Petrarca op 26 april 1336 de Mont Ventoux beklom om van het uitzicht te gaan genieten, werd hij, eenmaal boven, geplaagd door een zekere angst en verwarring. Om tot rust te komen besloot hij iets te lezen uit een boek dat hij altijd bij zich droeg, te weten de Belijdenissen van Augustinus. Direct werd hij getroffen door deze woorden: 'En de mensen gaan hoge bergen bewonderen en de wijde zee en machtige rivieren en de grootse oceaan en de baan van de sterren, en zij verlaten daarmee zichzelf.' Petrarca verweet zich de ijdelheid van de beklimming, en daarbij van al zijn streven, om vervolgens vast te stellen, dat alleen de ziel het verdiende om bewonderd te worden.

Bibliografische referenties

Uit: Jan Kal, Fietsen op de Mont Ventoux. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1974.

Heeft betrekking op:

Prediker 1:2-14