Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Jan Wolkers - Terug naar Oegstgeest

Zozeer is Jan Wolkers bekend met bijbelse verhalen, dat hij de figuren eruit vaak op zichzelf en zijn omgeving betrekt. In onderstaande passage uit de autobiografische roman Terug naar Oegstgeest (1965) identificeert hij zich met de bedrieger Jakob, die samenspant met zijn moeder. Zijn broer stelt Ezau voor, de natuurmens, de ongecompliceerde, naar wie hij opkijkt maar die hij ook vreest omdat hij weet dat zijn broer hem doorziet. Alle keren dat de broer in het werk van Wolkers voorkomt, vervult hij de rol van held, van idool, van degene tegen wie opgekeken wordt.
Het is waarschijnlijk geen toeval dat de sympathie van het kind niet bij Jakob ligt, maar bij Ezau, ook al plaatst Wolkers zichzelf hier in de onsympathieke rol van Jakob.

Ezau's handen
Ezau's handen Op het tussenzoldertje bij ons thuis stond in een zware eikehouten lijst een reproductie in koperdiep-druk voorstellende Izaak die Jacob zegent. Op het passe-partout stond: ISAAC BLESSING JACOB. Als ik de rommel ervoor vandaan schoof en het stof van het glas veegde, zag ik Jacob met zijn namaak-harige handen geknield liggen voor het ziekbed van zijn vader. Schuldig en bevreesd kijkt hij op naar de blinde oude man die toch zegenend zijn hand opheft nadat hij gezegd heeft: 'De stem is Jacobs stem, maar de handen zijn Ezau's handen.' Op de achtergrond staat Rebekka. Ze kijkt sluw en angstig toe of het bedrog niet gemerkt zal worden. Om de uitdrukking van haar gezicht moest ik altijd aan mijn moeder denken wanneer ze mijn vader ineens door de gang hoorde aankomen als ze op de divan lag en ik haar vereelte voeten krabde. Snel kwam ze dan overeind, duwde mij bij zich vandaan en zei dat ik in de tuin moest gaan spelen. Met een schuldig gevoel liep ik dan langs mijn vader naar buiten, en zag vanaf het stoepje dat mijn moeder gauw iets in de kast was gaan opruimen. Maar om mijzelf, om Jacob die daar geknield lag, moest ik denken aan mijn broer. Omdat ik een bedrieger was en met mijn moeder samenspande, en hij een jager die met zijn windbuks muizen achter de bakken in de winkel vandaan schoot. Hij had eens, toen er een mus op het balkonhek zat, de buks tegen mijn schouder gedrukt en bevelend gezegd: 'Schiet!' Toen de mus met een kapot geschoten snavel naar beneden viel en ik met trillende lippen naar het bloederige kopje keek, pakte hij hem aan een vleugel op en slingerde hem op het garagedak. Tegen mij zei hij, dat ik niet moest staan grienen, want dat zonder Gods wil geen mus viel. Het leek wel of hij alles door had met zijn eerlijke blik. Want als hij op zolder kwam, terwijl ik mijn broertjes en zusjes in een zelf verzonnen toneelstukje liet optreden, voelde ik me meteen onbehaaglijk. Het was of hij met één oogopslag zag dat ik mijn zusje, dat vermoord was en daarom plat op de grond lag met de zware bijbel op haar borst, bij de begrafenis met mijn eigen lichaam zou gaan bedekken omdat ik de aarde was. Dat ik daarna zou gaan voelen of ze wel echt dood was zodat ze niet levend begraven zou worden. Met een smalende opmerking legde hij de kermende en klagende familieleden het zwijgen op. Als hij vertrokken was duurde het een hele poos voor we er weer in waren.

Zie ook

  • Toon terzijde Hij draagt het kaïnsteken aan zijn voorhoofd

Bibliografische referenties

Jan Wolkers, Terug naar Oegstgeest. Amsterdam, 1965, p. 232-233.

Heeft betrekking op:

Genesis 27:1-41