Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Janne IJmker - Achtendertig nachten

De historische roman Achtendertig nachten van Janne IJmker (1962) begint met de beschrijving van een moord door - opvallend genoeg - de ogen van het slachtoffer: Jan Albers krepeert na het eten van roggepap die zijn vrouw Elsjen Roelofs voor hem heeft klaargemaakt. Het achttiende-eeuwse Drenthe is het decor van het verhaal dat gebaseerd is op historische documenten die achterin het boek zijn afgedrukt.

Hoofdpersoon is Elsjen Roelofs die zichzelf terugvindt in de gevangenis, waar ze beschuldigd wordt van de moord op haar man, die ze heeft omgebracht met rattenkruit in de roggepap. In hoofdstukken waarin het historische heden en terugblik elkaar steeds afwisselen, krijgt de lezer een geloofwaardig beeld van de jeugd van deze Elsjen.

In het gevang vindt de opstandige Elsjen vooral troost in de geschiedenis van Job.

Ik lees Job. De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd. Ik ben niet zo oprecht en vroom als Job, maar God weet hoe ik mijn best heb gedaan het goede te doen, zelfs toen ik het venijn door de roggepap roerde.
Ik voel meer voor de woorden van zijn vrouw: Houdt gij nog vast aan uw oprechtheid? Zegen God en sterf.
Hoe kon God mijn moeder een kind geven, haar van het kind laten genieten, haar laten dromen over de toekomst en het vervolgens van haar afnemen? Waarom stierf de moeder van Barteld zo vroeg, leefde het poppie niet, waarom ging mijn vader al dood toen ik nog maar vier jaar was? Waarom was mijn moeder zo zwak? Waarom liet Hij mij geboren worden als een tweede Elsjen? Waarom is mijn leven verlopen zoals het is verlopen en zit ik nu hier in het gevang, werden mijn kinderen van mij afgepakt?
Zegen God en sterf. Het beste met die God en ga dood. Of maak dood...
Zottin, zouden wij het goede van God ontvangen en het kwade niet? De woorden die Job tot zijn vrouw spreekt, maken me sprakeloos, doen al mijn vragen verstommen, maar geven geen antwoorden. Of is dit het antwoord: dat ik deze kwade tijd van God ontvang? En moet ik dan 'dank U wel' zeggen? (110/111)

Bibliografische referenties

Janne IJmker, Achtendertig nachten, Zoetermeer: Mozaïek, 2006.

Heeft betrekking op:

Job 2:10, Job 1:21