Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Jeremias de Decker - Aendacht op den Kersdag des jaers 1659

Naast zijn carrière als zakenman is Jeremias de Decker (1609-1666) als literator vrij productief geweest. Hij was een belezen man en kende zowel de klassieke als de toen gangbare Neolatijnse poëzie. Zijn bekendste werk is Goede vrydagh ofte het lijden onses Heeren Jesu Christi (1651), een gedichtencyclus over Jezus’ lijdensweg. Naast expliciet religieuze poëzie schreef hij ook epigrammen, verssatiren en een heel aantal losse gedichten en gelegenheidsverzen. Hij was in allerlei gebieden goed thuis en een vakkundig dichter. Vondel schijnt hem ooit ‘een dichter van sierlijke netheid’ genoemd te hebben.

Het gedicht Aendacht op den Kersdag des jaers 1659 is direct terug te voeren op de politieke situatie van de Republiek in dat jaar. In de 4e Noordse Oorlog die tussen 1655 en 1660 woedde hadden de Nederlanden juist een overwinning behaald. Vanwege hun handelsbelangen hadden de Nederlanden partij gekozen voor de Denen. Eind 1659 wist Michiel de Ruyter met succes de Zweden van het eiland Funen te verdrijven. De zeevaarder werd hiervoor in de Deense adelstand verheven en de golf van euforie die ongeveer eind december door het land heen ging was enorm. Er verschenen grote hoeveelheden drukwerk die allemaal het succes bejubelden, De Decker dicht:

All wat iet in Rijm kan stellen,
All wat silben weet te tellen,
Heeft’et thans geweldig druck
Met ons Noorder krijgsgeluck,
Met den zegen op te kraeyen,
Die van Funen af komt waeyen.
Ieder bladeken Papier
Roockt van yzer, loot en vier:
Ieder vaers daer op gewreven
Schijnt met breyn en bloed geschreven. (…)

De Decker schrijft dat hij zelf ook de neiging krijgt om een vers te maken op de successen van de Republiek, maar hij wordt door een innerlijke stem tegengehouden en realiseert zich dat zo’n gedicht verre van gepast is rond de kerstdagen:

Wilt ghy oock met dommen moed
Oly gieten in den gloed?
Wacht u aen zoo wreede grillen
Gods Geboorten-dag te spillen;
Ga veel liever daer sijn Woord
Word gesproken en gehoort. (…)

Dit brengt hem ertoe de kerstboodschap te belichten en de rust en de zegen die daar van uit gaat in contrast te brengen met de uitgelaten overwinningsstemming in het land:

Merck (o wonder boven wonder!)
Hoe de sender van den donder,
Smeder van de blixemschicht,
In wat hoys verschoven ligt. (…)
Merck hoe hier de Grootheyd Gods
Uwenthalven zich vermindert,
Hoe de Wijsheyd Gods verkindert,
Hoe hier ’t Woord der Eeuwigheyd
Stom en woordloos ligt en schreit,
En ten troost van Adams neven
Zoo haest lijden komt als leven. (…)

Uit al deze overdenkingen concludeert de dichter dat het het beste is om stilletjes een einde aan zijn gedicht te schrijven, zijn ‘inkt en veder’ neer te leggen en God in stilte te bedanken voor ‘’s Lands welvarentheyd’.

Heeft betrekking op:

Matteüs 1:18-25, Lucas 2:1-20