Johan Scutkens Nieuwe Testament
van 1399
 | Wybren Scheepsma |
Handelingen 27:9-26, gelezen door Wybren Scheepsma
9 Doe si hem veel tijts op die zee gheleden hadden ende het thans niet zeker varen
was, om dat die vasten gheleden was, soe riet hem Paulus ende seyde: 10 'Ghi manne,
ic sie, dat wy in vresen ende in veel scaden sullen wesen, niet alleen des guets ende
des scepes, mer oec mede ons levens, ist dat wy voertvaren.' 11 Mer centurio ghelovede
den stuerman ende den schipher bet dan datter van Paulo gheseghet waert. 12 Ende
want daer gheen bequaem haven was in toe verwinteren, soe namen haerre veel den
raet op van daen to varen, of si mochten te Phenicen coemen ende verwinteren in die haven van Crete.
13 Si seylden van Asson of mit enen sudenen winde ende waenden
alsoe haer opset te hoelden ende voren toe Creten waerts.
14 Niet langhe daer nae quam hem theghens een noertoestenen wint. 15 Doe dat scip ghekiert waert ende si jeghens den wint niet zeylen en mochten, dreven wy mitten
stroem 16 ende quamen in een eylant, dat Cauda hiet ende mochten den boet nauwe behoelden. 17 Doe hi of ghedaen was, namen si instrumente, daer si tscip mede toueden
ende bondent tscip ende vreesdent toe verliesen ende dedent tzeyl neder dalen ende dreven alsoe.
18 Doe worden wy vander starker tempesten gheworpen 19 ende des anderen
daghes worpen si ende des derden daghes worpen si mit horen handen die ghetouwe ende die reescap van den scepe.
20 Ende veel daghe lanc en openbaerde haer die sonne
niet noch die sterren ende daer was een grote tempeest aenstaende, alsoe dat die
hope al haere salicheyt hem waert af ghenomen.
21 Ende doe daer een langhe vasten gheweest hadde, doe stont Paulus op in die
middel van hem luden ende seyde: 'O ghi manne, het hadde guet gheweest, doe ghi
my ghehoert hadt, dat wy van Creten niet vytghevaren en hadden, soe en hadden wy desen scade ende dese warpinghe niet gheleden.
22 Ende nu radic ju guedes muedes
to wesen, want eens menschen leven onder ju niet verlaren en sal wesen sonder tscip alleen,
23 want te nacht stont by my een enghel Godes, wies ic bin ende dien ic
diene, 24 ende seyde: "Paule, en ontsich dy niet, dy behoert noch biden keyser te stane, ende sich, God hevetse dy alle ghegeven, die mit di varen." 25 Daer om, ghi manne, weest guedes muedes, want ic ghelove mynen Gode, dattet alsoe wesen sal alst my gheseyt is 26 ende wy sullen moten comen in een eylant.
Halverwege de veertiende eeuw trok Geert Grote (1340-1384) rond als boeteprediker in Overijssel, Gelre en Holland. Zijn tocht voerde onder meer langs Amersfoort, Utrecht, Amsterdam, Gouda, Haarlem, Delft en Leiden. In zijn preken riep hij op tot boete en bekering. De bekering kon bestaan in het verbreken door priesters van een ongeoorloofde relatie, het wegschenken van privé-bezit door monniken en het teruggeven van door woeker verkregen kapitaal. Zijn protest was onderdeel van een breed gedragen verzet tegen misstanden in de kerk. Geert Grote legde samen met zijn vriend Florens Radewijns (1350-1500) de grondslag van de Moderne Devotie, met Deventer als bakermat.
De
geloofsopvatting van de Devoten kan getypeerd worden als 'navolging van
Christus': ze beoogden een op het leven van Christus afgestemde vroomheid. Het
evangelie van Christus diende de grondslag van het religieuze leven te zijn. In
dit verband schreef Thomas a Kempis zijn
Navolging van
Christus
, het beroemdste boek van de beweging.
Opvallend in die brede opwekkingsbeweging was de plaats van de bijbel. Tot
dan toe was de gangbare bijbel de latijnse
Vulgaat
. In
Engeland vertaalde John Wycliffe (1320-1384) de bijbel in de volkstaal. In
Praag en omgeving preekte Johannes Hus (1369-1415), die in navolging van
Wycliffe het lezen van de bijbel door leken hoog in z’n vaandel had
staan. De beweging van Geert Grote te Deventer had ook banden met die van Hus
via zijn vriend Florens Radewijns, die in Praag gestudeerd had.
Geert Grote had in 1383 van de bisschop van Utrecht een preekverbod gekregen, omdat deze vond dat hij te ver ging met zijn kritiek op de kerk. Geert Grote zag zich nu genoodzaakt de leken via het geschreven woord te benaderen. Hij schreef een getijdenboek met een groot aantal gebeden, doorvlochten met bijbelgedeelten en bijbelverzen, waaronder 54 psalmen in hun geheel en 6 gedeeltelijk, benevens enige ‘lessen’ uit het Oude en Nieuwe Testament. Hiermede legde Grote de grondslag voor de bijbelvertaling in de noordelijke Nederlanden.
Johan Scutken (gestorven 1423) heeft in het begin van de vijftiende eeuw
voortgebouwd op de vertaalarbeid van Grote en geheel in diens lijn ook de
overige psalmen overgezet in het Middelnederlands. Johan Scutken was leerling
van Geert Grote en Florens Radewijns. Na een verblijf in het broeder- of
fraterhuis te Deventer (1383-1387) was hij tot aan zijn dood lekebroeder in het
klooster van
Windesheim. Scutken was als ‘boecwaerder’
verantwoordelijk voor de collectie Middelnederlandse geschriften van de
kloosterbibliotheek in Windesheim. Hij leende stichtelijke lectuur uit en hij
vervaardigde eigenhandig kopieën van handschriften.
Rond 1400 zorgde Johan Scutken naast gedeelten van de Psalmen en delen van het Oude Testament, voor de eerste volledige Nederlandse vertaling van het Nieuwe Testament. Scutken heeft het Nieuwe Testament zelfstandig vertaald en voorzien van vele verklaringen (glossen) die hij uit het verklarende werk van de kerkvaders en theologen had verzameld.
Twaalf jaar lang las Scutken voor de lekebroeders van zijn klooster tweemaal daags onder de maaltijden een gedeelte uit de bijbel voor; de moeilijke plaatsen legde hij uit. Blijkbaar heeft hij zijn vertaling van het Nieuwe Testament in de eerste plaats voor de lekebroeders van het klooster vervaardigd.
Scutkens werk wordt wel aangeduid als het 'Nieuwe Testament van de Moderne Devotie' en is vooral belangrijk omdat het de meest gelezen Nederlandse bijbelvertaling van de Middeleeuwen is geworden. Ze werd ook in de Duitse grensgebieden, vooral in het Rijnland, veel gelezen. Het aantal bewaard gebleven handschriften wordt geschat op 150 à 200.
Scutkens vertaling van het Nieuwe Testament is nooit in
haar geheel gedrukt. Slechts de vertaling van Handelingen en Openbaring is
driemaal op de pers gelegd: de eerste maal onder de titel Werc der apostelen ende apocalopsis door Jan Seversz. te
Leiden ca. 1512 en tweemaal in Den bibel mitten figuren
door Claes de Grave te Antwerpen in 1518.
Bibliografische referenties
C.C. de
Bruin, Middelnederlandsche vertalingen van het Nieuwe
Testament Groningen, 1934.
R.R. Post, The Modern
Devotion. Confrontation with Reformation and Humanism. Leiden, 1968,
Studies in Medieval and Reformation Thought 3.
J. Deschamps, 'De
verspreiding van Johan Scutkens vertaling van het Nieuwe Testament en de
Oudtestamentische perikopen', in: In navolging (1975).
C.C. de Bruin (ed.), Het Nieuwe Testament van de
moderne devotie (1979).
Heeft betrekking op:
Handelingen 27:9-26
Noten
Het klooster van Windesheim
Geert Grote overleed in 1384 aan de pest. Op zijn sterfbed gaf hij de opdracht om kloosters te stichten die de beginselen van de Moderne Devotie moesten voortzetten. In 1387 werd in Windesheim het eerste klooster ingewijd. De huidige Nederlandse Hervormde Kerk is een van de weinige tastbare bewijzen die zijn overgebleven van het klooster.
Het kerkelijk recht bepaalde dat ieder die een kloosterlijk leven wilde leiden, zich bij een bestaande orde moest aansluiten. De Devoten richtten zich juist tegen de onbijbelse praktijken in de bestaande kloosters. Daarom zochten ze naar een vorm waarmee dit gebod omzeild werd: een 'gezinsgemeenschap' van vrome lieden die lekebroeders werden genoemd en die geen bindende kloostergeloften hadden afgelegd. Dat laatste was een doorn in het oog van in geestelijken in kloosters (met name dominicanen).
Men trachtte de devoten in een kwaad daglicht te stellen 'als vijandig aan de monniken, als anti-kloosterlijke, ja anti-clericale nieuwlichters'. Het leven in de frater- en zusterhuizen der Moderne Devoten hield het midden tussen een kloosterlijk leven en het 'leven in de wereld'.
Thomas a
Kempis - Navolging van Christus
 | Nederlands, Zwolle Thomas a Kempis op de Agnietenberg |
Thomas a Kempis (1380-1471) geldt als
een van de bekendste christelijke schrijvers aller tijden. Zijn wereldberoemde
hoofdwerk Imitatio Christi (Navolging van Christus) is
na de bijbel het meest gedrukte en gelezen boek van de christelijke literatuur.
Thomas a Kempis heeft veel ontleend aan het gedachtegoed van Geert
Grote. Net als Grote waarschuwt hij bijvoorbeeld voor de onverwachte dood: Men
moet altijd bereid zijn te sterven - memento mori. Ook
moet men zich voorbreiden op de oordeelsdag, want men zal zich tegenover de
Rechter voor zijn daden moeten verantwoorden. Verder wees Thomas op de
vergankelijkheid van al het aardse. Hij verlangde van de christen dat zijn
geloof tot uiting kwam in een oprechte levenswandel.
Vulgata, Vulgaat
De oudste vertaling van het Oude Testament is de Septuagint
, een vertaling in het Grieks die ontstond in Alexandrië tussen de derde en de eerste eeuw voor Christus. Omdat deze vertaling - die op haar beurt weer in andere talen vertaald werd, onder meer het Latijn - op veel plekken nogal vrij en parafraserend was, gaf paus Damasus I in 383 n. Chr. aan Hiëronymus opdracht om de Latijnse vertalingen van de bijbel te verbeteren.
Hiëronymus vertaalde het Oude Testament opnieuw vanuit de Hebreeuwse grondtekst, maar handhaafde daarbij sommige keuzes die in de Septuagint waren gemaakt. Zo vertaalde ook hij de godsnaam met 'Heer' (lat. Dominus). Voor de vertaling van het Nieuwe Testament koos Hiëronymus Griekse handschriften die hij betrouwbaar vond.
Het duurde een paar eeuwen voordat Hiëronymus' vertaling in brede kring geaccepteerd werd. Toen pas kreeg zijn vertaling een officiële naam: Biblia Sacra, Vulgatae Editiones, oftewel: 'Heilige Bijbel, meest verbreide uitgave'. De Vulgata (in onze contreien vaak Vulgaat genoemd) werd de officiële Latijnse bijbelvertaling van de rooms-katholieke kerk.