Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Joost van den Vondel - De Heerlyckheit der Kercke

In dit didactische gedicht uit 1663 bezingt Vondel de kerk die hij liefheeft. Hij behandelt in drie delen achtereenvolgens het ontstaan van de kerk, haar verschijning in de wereld en de verdere geschiedenis (m.n. de strijd tegen ketterijen en dwalingen). In zijn eigen woorden: haar ingang, opgang en voortgang.

Volgens Vondel is de kerk al zo oud als de wereld, nee, nog ouder: vóór de grondlegging der wereld heeft God in zijn ondoorgrondelijke wijsheid besloten dat er een kerk zal zijn waarin zijn Zoon en de mensen verenigd zullen worden. Wanneer de dichter vanuit deze gedachte de bijbel gaat lezen, vindt hij er uiteraard meer dan voldoende bewijs voor: het is een feest van herkenning. Vondel start bij Genesis 1 en werkt het hele Oude Testament door. Op zijn tocht komt hij dan ook de profeet Haggai tegen, over wie hij 40 jaar eerder - in zijn gedicht 'De twaelf propheten' in De Helden GodesJoost van den Vondel – De Helden Godes - al had geschreven:

Haggai niemand wyck', die't Ioodsch gebouw versmaed,
Om Christus kerck die in zyn geest getimmert staet.

Met andere woorden: Haggai wordt geprezen omdat hij die opriep tot het herbouwen van de tempel, zich al realiseerde dat de kerk van Christus die tempel zou overtreffen. Deze gedachte keert terug in de passage die in De Heerlyckheit der Kercke aan Haggai is gewijd (r. 729-764):

Haggai, toen de vorst Zorobabel regeerde
In Juda, hem en Godts aertspriester profeteerde
Des tempels heerlijckheit, die weêr te bouwen stont
Uit puin, daer Babels wraeck zoo groot een' lust in vondt.
Hy spelt hoe 't leste huis het eerste zal beschaemen,
In faem en heerlijckheit en majesteit te zamen;
Wanneer hy zelf [=Christus], naer wien al 't Heidendom verlangt,
Verschijnt, en 't goude koor uit zijnen glans ontfangt
Een heerlijckheit, die Godts gewelf tot in de toppen
Alom vergulden zal, en met haer straelen proppen.
Hoe klinckt u dit in 't oor? want op dien zelven dagh
Dat d'oude, die voorheen den eersten tempel zagh,
Den tweeden zagh herbout, [den tweeden, die geleken
By 't vorige gebou, daer op scheen af te steecken,
Gelijck een herders hut, by eenigh konings hof;
Een hut, een arrem dack, gekropen uit het stof:]
Zoo vingen d'ouden aen den eersten te beweenen;
En noch was Christus school verwondert om de steenen,
Den wonderbaeren bou van 't jongste Kerckgesticht:
Dus eischt de profecy een torts, die 't oogh verlicht.
De letter toont ons dan, den glans des lesten tempels,
Die d'eerste kerck verdooft, als Christus Arons drempels
Met zijne voeten wijdt, en, onder de Rabbijns
Gezeten in den ring, hun afbint deze grijns,
Waer door men 't volck bedroogh, als zy de wet misduiden.
Dees tempel blonck dan meer als toen het hof van 't zuiden
Op zijnen rugge liet het Kreeftvier en de zon,
Om 't licht van Godt te zien, in 't koor van Salomon,
Die, schoon zijn wijsheit wist wat menschen tong kon reppen,
Zijn wijsheit evenwel uit deze bron most scheppen:
Doch zoo die profecy wort naer den geest hervat;
Zy ziet op geen gebou, in Davids oude stadt,
Maer op de groote Kerck der goddelijcke waerheit,
Die door haer majesteit, en heerlijckheit, en klaerheit,
Alle oogen naer zich treckt, en Gode alleen behaeght,
En antwoort elck wie hier 't orakel spreeckt, en vraeght.

Bibliografische referenties

Joost van den Vondel, De Heerlyckheit der Kercke. Haer Ingang, Opgang, en Voortgang, begrepen in dry boecken. In: De werken van Vondel dl. 9, 1660-1663. [De volledige tekst is te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

Haggai 2:9