Overzicht bijbelboeken

Letteren > Drama

Joost van den Vondel - Jeptha

Vondel moet duidelijk tevreden geweest zijn over zijn werk toen hij in 1659 Jeptha of offerbelofte aan het publiek presenteerde. Je kunt je niet aan die indruk onttrekken als je het ‘Berecht’ leest, dat aan het treurspel vooraf gaat.

Vondel schrijft dat hij al heel lang van plan was om een drama over dit zo intrigerende bijbelse personage te schrijven, maar dat hij op een paar moeilijkheden stuitte. Aangezien hij zich sinds 1640 bij het schrijven van tragedies baseerde op de toneelwetten van Aristoteles, kon hij niet uit de voeten met de eis dat de toneelhandeling zich binnen 24 uur moest afspelen. De oorspronkelijke gegevens uit de bijbel nemen veel meer tijd in beslag: de dochter van Jeptha, die bij Vondel de naam Ifis draagt, vraagt aan haar vader twee maanden uitstel voordat hij haar zal offeren. Maar Vondel weet raad: hij laat het drama plaatsvinden op de dag dat Jefta in triomf terugkeert van de strijd tegen de Efraïmieten, die volgens de beschrijving in Rechters ruim ná de oorlog tegen de Ammonieten had plaatsgevonden. Op dezelfde dag situeert Vondel ook het offer van Ifis, zodat in hetzelfde drama een groot geluk (de overwinning van de strijd) en een groot verdriet (het offer van Jeptha’s dochter) worden uitgebeeld, en dat bovendien ook nog eens binnen 24 uur.

Vondel gaat trouwens niet krampachtig om met de gegevens in het bijbelverhaal. In de bijbel wordt met geen woord gerept over de vrouw van Jeptha, Filopaie. Zij krijgt in Vondels drama een belangrijke rol toebedeeld. Haar afwezigheid tijdens de voltrekking van het offer maakt de gruwelijke gebeurtenis in Vondels ogen waarschijnlijker. Immers, zo moet Vondel geredeneerd hebben, als zij op tijd terug was gekeerd aan het hof had het nooit zover kunnen komen. Geen moeder zal dadenloos toekijken als haar dochter geofferd wordt.

Vondel wilde met het treurspel zijn publiek emotioneren. Dit doet hij door het innerlijke conflict van Jeptha zo aanschouwelijk mogelijk te maken. Jeptha wordt verscheurd door de onmogelijke keuze waar hij zich voor gesteld ziet. Vanwege de ondoordachte belofte die hij gedaan heeft moet hij kiezen tussen gehoorzaamheid aan God en de liefde voor zijn dochter. Hoewel hij zijn moeilijkheden voorlegt aan de Hofpriester, die het dochteroffer stellig afwijst, volgt Jeptha zijn eigen geweten en laat zijn dochter offeren. Vondel is wel zo discreet om het offer niet op het toneel te laten plaatsvinden. De slachting vindt tussen het vierde en het vijfde bedrijf achter de coulissen plaats. Direct nadat het offer volbracht is, ziet Jeptha ineens ook het gruwelijke van zijn handelwijze in:

O avondzon die, steil aan ’t overlenen,
uw stralen, nu vermoeid en afgeschenen,
zult zinken en in ’t westen ondergaan -
jaag voort, jaag voort! Indien ge stil bleeft staan,
of deinsde voor dit outer – ras aan ’t zinken,
haal in ’t verzuim om and’ren toe te blinken,
die waardiger verdienen ’t heilig licht,
de glans van uw gezegend aangezicht
t’aanschouwen dan deez’ schelmse dochterslachter,
aartsmoordenaar, bloedschender, wetverachter,
die naar de mond der wetgeleerden, noch
Gods priesters niet wou luisteren. Och, och,
nu gaan te spa, te spa mijn ogen open.
Dit outer heeft godvruchtig bloed gezopen.

Jeptha dreigt in radeloosheid te vervallen, maar hij wordt door de Hofmeester naar de Hofpriester gestuurd om vergeving te vragen. Dat God vergeving schenkt, kan worden opgemaakt uit de laatste woorden van het treurspel, uitgesproken door de Hofpriester. Hij ziet in een soort visioen hoe Jeptha deel uitmaakt van de rij van geloofshelden, zoals die staat opgetekend in Hebreeën 11.

Bibliografische referenties

Joost van den Vondel, Jeptha, Koning David hersteld, Faëton, bezorgd door J. W. H. Konst (Delta-reeks). Amsterdam: Bert Bakker, 2004.

Heeft betrekking op:

Rechters 11:29-40