Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Joost van den Vondel – Moyses Gezang

O Hemel, hoor naer myne reden.
Het aertryck geef' myn stem gehoor.
Myn leering druipe in ieders oor,
Gelyck de wolcken naer beneden.
Ick wensche dat de woorden vloejen,
Uit mynen mont, als dau, en vocht;
Gelyck de regen, uit de locht.
Het kruit, en druppels 't gras besproejen:
Dewyl myn tong den naem des Heeren
Verheffen wil, gelyck 't behoort.
Geef Gode alleen den prys: komt voort,
En helpt zyn majesteit vermeêren.
Godts wonderwercken zyn volkomen,
En al zyn paden loopen recht.
Godt is getrou: geen valscheit hecht
Op dien rechtvaerdigen, en vromen.

Zo begint 'het lied van Mozes' bij Vondel (vgl. Deut. 32:1-4). 'Moyses Gezang' diende in eerste instantie, samen met twee andere gedichten en een venijnig stukje over 'de nieuwe Nederduitsche misspellinge', als bladvulling voor de eerste uitgave in 1654 van Vondels treurspel Lucifer. Vondel volgt in zijn gedicht de tekst van Deut. 32 op de voet. Volgens sommigen zou het gedicht een bewerking zijn van La Cantique de Moyse van de 16e-eeuwse dichter Du Bartas (voluit: Guillaume de Saluste, seigneur du Bartas). Anderen menen dat Vondel gewoon gewerkt heeft vanuit de VulgaatVulgata, Vulgaat. Een aanwijzing hiervoor is het totaal ontbreken van het beeld van God als rots (vs. 4, 15, 18, 30, 31 en 37) bij Vondel én in de Vulgaat.

Het slot van Vondels gedicht luidt als volgt (vgl. Deut. 32:39-43):

Nu merckt, aen 't geen 'er is bedreven,
Dat ick alleen de Godtheit ben,
En, neffens my, geen andre ken,
Ick ben de Heer van doot, en leven.
Ick quetse, en zalve, aen alle zyden,
En geen gewelt, noch geene kracht
Kan iemant rucken uit myn maght,
Noch voor myn hant zich zelf bevryden.
Ick hef myn rechte hant naer boven,
En zweere by myn Majesteit:
Ick leef alleen in eeuwigheit,
Die alle maghten kan verdooven.
Indien ick koom' myn zwaert te wetten,
Tot dat het als een blixem strael',
En myne hant, met schittrend stael
Gewapent, zich in 't recht ga zetten;
Zoo wil ickme aen myn haters wreecken,
Vergelden hunnen wrevlen moedt,
Myn pylen zullen, root van bloet,
En dronken, druppelen, en leken.
Myn zwaert zal 's vyants vleesch verslinden,
En 't bloet der dooden, in den slagh;
's Gevangens vleesch, die met geklagh
Bloots hoofts zich boejen liet, en binden.
Dat allerhande volck, en tongen
Godts volleck loven: want hy boet
Zyn dienaers schade, en wreeckt hun bloet,
Uit wraecke tot dees straf gedrongen.
Hy zal het onrecht van zyn zoonen
Uit yver wreken, naer zyn maght,
Maer Jakobs erfdeel en geslacht
Genadigh vallen, en verschoonen.

Bibliografische referenties

De werken van Vondel, 5e deel. [De volledige tekst is ook te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

Deuteronomium 32:1-4, Deuteronomium 32:39-43