Overzicht bijbelboeken

Letteren > Drama

Joost van den Vondel - Noah

In Noah of Ondergang der eerste Weerelt uit 1667 werkt Vondel het thema van God die de zondige mensheid straft, dat ook in Adam in Ballingschap aan de orde komt, nader uit. Achiman is in dit stuk de verpersoonlijking van de totale mensheid. Deze wil niet van berouw weten, in een kort dialoogje met Noach komt dat het duidelijkste uit:

Achiman:
Gelukkig leven ze, die 't eêlste van hun jaren
Besteên in wellust, eer 't hun d'ouderdom benijdt.

Noë:
Gelukkig leven ze, die zuiver 's levens tijd
Besteden, God ter ere, in 't bloeienst van hun leven.

Als de vloed komt, krijgt de mensheid berouw van alles, maar dan is het te laat. Als Achiman om genade smeekt, zegt de engel Uriël:

Dees naklacht komt te spa. Vertrekt uit ons gezicht, Gij zijt in d'ongena te diep verzeild: doch komt gij met berouw te sterven, zo kunt ge, hier gestraft, genade omhoog verwerven.

Zo laat Vondel dit drama waarbij alleen Noach en zijn familie gered worden toch nog met enige hoop eindigen. En in de laatste koorzang (rei) betrekt hij de boodschap van het stuk op zijn eigen tijd. De ark is het beeld van de kerk, die de mensen ook door het water heen, en zelfs letterlijk, door de doop, kan behouden. Het stuk mag dan handelen over de ondergang van de wereld, de kerk is een 'vrijburg' in de wereld, die de mensen altijd zal redden.

Zie ook

  • Toon terzijde Joost van den Vondel - Adam in ballingschap

Bibliografische referenties

K.F. Proost, De bijbel in de Nederlandsche Letterkunde als spiegel der cultuur. Assen, 1933.

Heeft betrekking op:

Genesis 6:5-9:29