Overzicht bijbelboeken

Letteren > Drama

Joost van den Vondel – Pascha

De ‘trage-comedie’ Het Pascha ofte de Verlossinge der Kind’ren Israels wt Egypten van Vondel bestaat uit vijf bedrijven, afgesloten door een koorzang. De koorzangers houden de toeschouwers de les voor die zij uit het toneel moeten trekken. Pascha volgt het verhaal van Exodus tot en met de veilige doortocht door de Rietzee (hoofdstuk 1 t/m 15). Niet zozeer de handeling zelf staat in de schijnwerpers, maar eerder de onderhandeling tussen de farao en Mozes.

Het tweede bedrijf opent met een monoloog van Pharao over een slechte droom. Een krokodil achtervolgt de wagen waarin hij rijdt en de paarden slaan op hol:

... Tot door het storm gheblas een Crocodille stranden,
De grootste die hier oyt ghezien mocht zijn te landen,
Dicht aenden boort des strants, int minst van drijmael vijf
Cubiten, over sterc ghewapent op het lijf
Met dobbel schelpen hert, t’hooft zeltsaem om aenschouwen,
Zoo eysselijck en groot dat het elck dede grouwen,
Scherptandich inden mont: zo haest ons Iacht vernam
Dit zeltsaem monster, twelc heel heftigh na hun quam,
Sy hunnen loop op nieus verdobbelden verbolghen,
... Tot dat een hollicheydt den waghen wederhiel,
Waer door sy wt t’ghespan van hun gareelen raecten,
En krac, krac, tot tweemael den grooten wagen kraecten,
Die eyndelijc verswact, niet wederhouden mocht
Met my stac op het strant de beenen in de locht!

De schrik neemt toe als Moyses en Aaron met Pharao komen praten in zijn paleis. Zij beweren dat de Heere Zebaoth Israël binnenkort uit de slavernij zal verlossen. Maar de koppige Pharao wil Israël voorlopig niet uit Egypte laten gaan. Als ze weer buiten staan, evalueren Moyses en Aaron het gesprek:

Moyses
Syn hert is onbeweeght veel grooter als de rotzen.
Aaron
Wie dorst den Hemel doch oyt obstinater trotzen?
Moyses
T’hert ligt hem veel te hooch geschoten inden krop.
Aaron
Hy worpt den steen die hem zal vallen op den kop.
Moyses
Hy heeft God opgheweckt met syn grootmoedich baffen.
Aaron
Tza gaen wij, want door ons zal hem de Heere straffen.

Het derde bedrijf begint met een monoloog van Pharao. Inmiddels hebben de eerste negen plagen Egypte geteisterd en Pharao erkent de heerschappij van God:

Hoe wel ons goude Kroon blinckt met den diadem,
Daer is een grooter Heer, daar is een hoogher stem,
Daer is een Koning noch die onsen glants verduystert,
... Die met syn donder-stem den sterflijcken verschrict,
En met het vuyrich root van synen blixem blict.
Wat baet my nu opt hooft de kroone van Afriken?
... Als desen grooten Mars noch boven my regeert?
... Als heel Egypten dus door blixem wint en storm
Tot eenen Chaos kruypt weer in syn oude form.

Moyses en Aaron doen nog een laatste poging Pharao over te halen, maar ook deze mislukt. Onderhandelen is dan niet meer mogelijk. De middelste koorzang kondigt een omslag aan in de aard van het toneel en belooft daarmee goede tijden voor Israël:

Die haest ontdect hoe dees Comedi
Rijst wt de bloedighe Tragedi
Van Deltas schreyende Toneel, ...

Dan komt de tiende plaag. Aan het begin van het vierde bedrijf betreurt Pharao het verlies van zijn eerstgeboren zoon:

Hy, die na mynen tijt zou Memphis Troon beklimmen
En als een kleynen God dit aerdsch Toneel beschimmen,
... Den eenen Pharao den and’ren is ontrooft.

Eindelijk laat Pharao Israël gaan. Toch kan hij het niet nalaten het volk te achtervolgen. In een uiterste poging aan de verdrinkingsdood in de Rietzee te ontsnappen geeft Pharao zich uit voor Neptunus. Fama, het ‘vlieghende Gerucht’ en getuige, doet verslag:

En om ontijdlijc noch de bleecke doot t’ontvlieden,
Derf hy den dullen storm thooft even dapper bieden,
En stijght de baren op, en krijschet, oft ghy schuymt,
Voor desen gaffel spits de wech na t’strant opruymt,
Ick ben Neptunus zelf den God van dese stranden,
Ontziet myn blauwe spriet met dry ghescherpte tanden:
Gy bruyscht, gy swalpt, en krielt, ziet wie gy rebelleert;
Ick bent, die op het diep van uwen stroom laveert.

Tevergeefs. Israël is nu vrij.
In het laatste koor koppelt Vondel de verlossing uit de slavernij van Egypte aan het lijden van Christus en de verlossing uit de zonden. De gebeurtenissen uit het Exodusverhaal wijzen zo vooruit naar de heilsgeschiedenis in het Nieuwe Testament. (MJW)

Bibliografische referenties

Joost van den Vondel, Het Pascha ofte de Verlossinge der kind’ren Israels wt Egypten. De Werken van Vondel, Deel I. Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur, Amsterdam, 1936. [De volledige tekst van het stuk is ook te vinden in de dbnl.]

Heeft betrekking op:

Exodus 5:1