Overzicht bijbelboeken

Letteren > Drama

Joost van den Vondel – Salomon

In 1648 publiceert Vondel zijn treurspel Salomon. Eerder al, in 1620, heeft hij een leerdicht aan koning Salomo gewijd: De heerlyckheyd van Salomon. Dat gedicht is een vertaling / bewerking van een tekst van de Franse dichter Guillaume de Saluste du Bartas (1544-1590). Hierin wordt Salomo 'in al zijn heerlijkheid' (vgl. Matt. 6:29) primair getoond als voorloper van Jezus. Op het titelblad prijkt de spreuk 'Christus - Hier is meer als Salomon' (vgl. Matt. 12:42). In het latere Salomon is van die heerlijkheid weinig meer over: daar is de koning een tragische held die het aflegt tegen zijn hartstocht.

Vondel heeft een boeman nodig om Salomo in zijn treurspel ten onder te laten gaan. De boeman is, zoals gewoonlijk bij Vondel, een vrouw. Zij heet Sidonia, en is de dochter van koning Chiram van Tyrus, de koning van de Sidoniërs.
Salomo is op zijn oude dag nog verschrikkelijk verliefd op zijn koningin Sidonia en geeft haar wat zij vraagt. Zo heeft Sidonia toestemming gekregen net buiten de muren van Jeruzalem een tempel voor Astarte te bouwen. Het treurspel begint op de dag van de inwijding van deze tempel.
Een Joodse wetgeleerde verzet zich tegen de uitnodiging van Ithobal, de hogepriester van Astarte, om de godin te komen vereren:

Wy dienen eenen Godt, een Godtheit, die wy kennen,
Wy stellen eenen Godt in top.

Daar brengt Ithobal tegen in:

Aenschouwde ghy haer beelt, en schoonheit, en gelaet,
Zoo levendigh, zoo schoon, gelijckze op ’t outer staet,
Ghy wierpt die boecken wech, en uw Hebreeusche brieven, ...

Deze tegenstemmen komen samen in de persoon van Salomo. Hij is in tweestrijd: enerzijds wil hij zijn vrouw Sidonia behagen, anderzijds kan hij zijn eigen God niet verloochenen. Maar hij moet kiezen. Sidonia nodigt hem uit samen met haar Astarte te gaan vereren. Hij smeekt haar dit niet van hem te vragen:

Verschoon den Koning slechts in dezen zwaren eisch,
O perle van mijn kroone! kroon van mijn palais!

Het achtergrondkoor van Jeruzalemmers dat elk van de vijf bedrijven van het treurspel afsluit, vreest de invloed van Sidonia als Salomo haar gehoor geeft:

Kan de Min den Vorst bekoren,
Dat hy van zijn’ plicht vervremdt,
Dan regeert geen man den Staet,
Maer een vrouw in mans gewaet.

Ondertussen dreigt er een volksopstand als de koning aan zijn geliefde toegeeft. De inwoners van Jeruzalem ergeren zich aan de vreemde tempel en aan het gedrag van hun koning. Zij geven Sidonia van alles de schuld. Maar Sabud, de vertrouwensman van de koning, neemt het voor haar op. Hij is een tegenstem van Vondel, de enige die de rol van Sidonia in twijfel trekt:

Moet nu Sidonia dit boeten boven al?
Wort zy nu, als de bruit, uit zulck een duizenttal
Genoemt, om met dien smaet haer majesteit te grieven?

Wanneer Sidonia in het vierde bedrijf op een feestavond verleidelijk voor Salomo danst, zwicht hij. Hogepriester Sadock schrikt:

Hoe kan dit Heidensch wijf den Koning ringelooren!

Onmiddellijk onderneemt Sadock verdere actie. Hij vertelt de koning eerst in een parabel over een zinkend schip, beladen met goudschatten. Dan verklaart hij:

... Dit schip, zoo rijck geladen,
Is Koning Salomon, grootdadigh in zijn daden,
Die grijs van ouderdom ... gevaar loopt van te sneven ...

Salomo begint weer te twijfelen, en belooft de priester dat hij niet naar Astarte zal gaan. Maar natuurlijk gaat Sidonia daar tegenin. Ze werpt haar laatste ijzer in het vuur:

Ghy geveinsde, hardt van aert,
Is uw getrouwe u geen altaergemeenschap waert?
Zoo zult ghy oock voortaen haer bedgemeenschap derven.

... en dreigt terug te gaan naar haar vader. Dan breekt Salomo. Hij vergezelt haar naar de tempel van Astarte. Met tegenzin doet hij mee met het ritueel. Als hij uiteindelijk het afgodsbeeld bewierookt en er een geweldig onweer losbreekt, klaagt hij:

Och och, wy zijn verwaten,
Van Godt verstooten, en verlaten.
Wat wil dat schricklijck gerucht?
Godts gramschap berst met donder uit de lucht.

Vanaf dit moment verandert Salomo in een verwarde oude man.
Natan de profeet voorspelt aan het eind van het vijfde bedrijf de scheuring van het rijk, de verwoesting van de tempel en de Babylonische ballingschap. Zijn laatste woorden bevatten de moraal van het verhaal:

Indien men d’oirzaak zoeck’ van ieders plaegh byzonder;
De dertle Wellust kreegh door list de Wijsheit onder.
Wie Godt verlaet, en eert den Wellust boven Godt,
Verbeurt zijn kroon, en wort zijn vyants schimp, en spot.

Vanaf het moment dat het onweer losbarst aan het eind van het vierde bedrijf, maakt Vondel geen woorden meer aan Sidonia vuil. Wanneer Salomo ten onder gaat, is zij verder niet meer nodig.

Zie ook

  • Toon terzijde Vondels Salomon en het Hooglied

Bibliografische referenties

Joost van den Vondel, Salomon. Treurspel. De Werken van Vondel V. Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur, Amsterdam, 1936. [De volledige tekst van het stuk is ook te vinden in de DBNL.]

Joost van den Vondel, De Heerlyckheyd van Salomon. Of het tweede deel vande vierde dagh der tweeder weke. De Werken van Vondel II. Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur, Amsterdam, 1929. [De volledige tekst is te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

1 Koningen 11:2, 2 Koningen 23:13, Matteüs 6:29, Matteüs 12:42