Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Joris Note - Geschiedenis van de lelie

De Vlaamse schrijver Joris Note is bij het grote publiek vrijwel onbekend. Met de nominatie van zijn roman Hoe ik mijn horloge stuksloeg (2006) voor de AKO Literatuurprijs kwam Note heel even in de spotlights te staan, maar hij voelde zich daar helemaal niet thuis. Hij reageerde afwerend op de media-aandacht die hem tijdelijk ten deel viel. Op de 'leuke' vragen die hem werden gesteld, gaf hij antwoorden als 'Dat heeft voor de lezers geen enkel belang' en 'Het spijt me, maar deze vraag is een voorbeeld van het soort loze media-onzin dat ik tracht te bekritiseren in Hoe ik mijn horloge stuksloeg.'
Misschien bereikt Notes werk alleen de fijnproevers. Hun wacht een rijkdom aan taal, stijl en ideeën!

Het Vlaamse literaire 'tijdschrift met neus' De Brakke Hond - 'De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur' - publiceerde in 1993 Notes verhaal 'Geschiedenis van de lelie'. Het is een verhaal over vroeger, waarin het katholieke geloof, de verhoudingen binnen het gezin en de ontdekking van de seksualiteit belangrijke ingrediënten zijn. En de dood, vooral de dood.

René zit bij de naaste verwanten, op de eerste rij, zoals het hoort, maar het hoort niet dat hij geen stropdas draagt. De overige mannen daar vooraan dragen allemaal een stropdas. Hij huilt niet, geen moment. Hij bidt niet mee, zingt niet mee, hij luistert niet naar de gebeden, niet naar de gezangen. Hij staat werktuiglijk op en gaat werktuiglijk weer zitten, samen met de anderen. Hij kan zijn aandacht niet bij de lezingen houden, niet bij de preek van de priester. Hij kan niet denken aan zijn broer Guido in de kist. Ik ben hier de enige man zonder das, denkt hij. Alsof ik voor één keer die moeite niet kan opbrengen. Hij telt de letters van de zin op de hoge boog boven het altaar. En opnieuw. GEHEEL SCHOON ZIJT GIJ MARIA EN ER IS GEEN VLEK IN U. Dit is de kerk van Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen, het staat op de doodsbrief.

Allerlei gedachten gaan door Renés hoofd. Herinneringen aan Guido, aan het leven vroeger thuis, aan andere doden. René is zich ervan bewust dat zijn preutse, propere moeder hem opgezadeld heeft met haar visie op manieren, op 'hoe het hoort'.

De zorg die vloeren en muren en ruiten en meubelen kregen, was een liefde die mij ontnomen werd. En nooit tijd om rustig te zitten of onderuit te liggen. Ik moet nog dit en dat, die kamer opruimen, dat afval op straat zetten, borstelen zemen poetsen ontvetten. Een slordig kot had me niets kunnen schelen. Ik had een smoezelige, morsige moeder gewenst.

De woorden 'Geheel schoon zijt gij' krijgen zo een wrange betekenis. En terwijl moeder boende en schrobde en wreef, ontdekte René de onkuisheid, de 'vuile manieren'.

Geheel schoon zijt gij. René bezoekt de kerk nog herhaaldelijk. Er worden herdenkingsdiensten opgevoerd, weken na elkaar. De zeswekenmissen. (...)
In dezelfde mis leest de priester uit het boek Jezus Sirach, over eerbied voor de ouders, '...en Hij heeft het oordeel van de moeder bindend gemaakt voor haar zonen. ...wie zijn moeder eer bewijst is als iemand die schatten verzamelt. ...de vloek van de moeder ontwortelt de fundamenten. ...een geschandvlekte moeder is een blaam voor de kinderen. ...wie zijn moeder treitert is door de Heer vervloekt.' Toeval. Het oordeel van de moeder is bindend, Guido. Het is niet voldoende geweest, Guido, ze krijgen er geen genoeg van, Guido, ze moesten het je nog eens inpeperen, Guido, pak vast, Guido, heb je 't nu eindelijk begrepen, Guido, ze zijn getikt, Guido. O Maria, in den strijd, toon dat gij mijn moeder zijt.
Later vieren ze herdenkingsdiensten eenmaal per jaar. De jaargetijden.

Naarmate het verhaal vordert, krijgt de figuur van de moeder duidelijker vorm. Tegen het eind is er ook ruimte voor tederheid en liefde in de herinnering aan haar. René heeft onder haar geleden, maar bewijst haar uiteindelijk ook eer.

Wie zijn moeder treitert. Ik was erg klein, ik weet niet waarover het ging. Wij waren alleen thuis. Ik maakte snerpend ruzie met haar. Ik wilde iets verkrijgen. Ik had gevraagd, zij wilde niet geven, wilde niet antwoorden. Of kon niet? Het ging over iets dieps en machtigs. Waarover toch? Mijn tierende wens, brullend verlangen, snot en tranen. Ik wilde ons straffen. Ik heb onze moeder geslagen. Ik heb dat onnoemelijke gedaan en nog heeft ze geen antwoord gegeven. Plotseling leunde ze met haar gezicht in haar handen tegen de muur onder aan de trap, ze huilde. Alles was impasse, we wisten geen van beiden hoe het verder moest. Denk ik. En dus hebben we ons verdriet bijeengelegd, zijn we innig zielig geweest met elkaar. De ruzie was al lang voorbij toen vader thuiskwam.
Een geschandvlekte moeder. Een jongen uit mijn klas beweerde dat hij me met moeder had zien lopen: Iemand als Tante Sidonie, hè? [Tante Sidonia uit de Suske en Wiske-strips] Ik schreeuwde dat hij zijn rottige muil moest houden, ik timmerde op zijn gezicht, zijn neus bloedde. Dat hadden ze van mij niet verwacht. De jongen bedoelde het kwetsend, en moeder was mager maar leek helemaal niet op Sidonie, een stripfiguur die niet aan een man geraakte, die een tante was en geen moeder. En geen vrouw? En hij had eigenlijk het recht niet om ons samen te zien lopen, zij was zijn moeder niet, zij was onze moeder, en bovendien was zij mijn moeder.

Bibliografische referenties

Joris Note, 'Geschiedenis van de lelie' in: De Brakke Hond, 10e jaargang, lentenummer 37 (maart 1993), p. 20-38. [Het volledige verhaal is ook te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

Wijsheid van Jezus Sirach 3:2-16