Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Jos de Haes - Avond en morgen I

De poëzie van de Vlaamse dichter en classicus Jos de Haes (1920-1974) wordt weinig gelezen, waarschijnlijk vooral vanwege de veeleisende thematiek van zijn werk. Wie de moeite neemt zich erin te verdiepen, wordt echter beloond met poëzie van een grote intensiteit, die vaak gestalte krijgt in bijbelse motieven.

Onderstaand gedicht, opgenomen in de bundel Azuren holte van 1964, bevat tal van bijbelse allusies, vooral naar Genesis en Handelingen.

Avond en morgen
[I]
 
Geen dingen heb ik ooit begrepen,
niet de dynamo, niet de haat,
niet het vernuft van rake knepen.
Ook Christus niet - maar dat is nu te laat.
 
De kwijl van een behaarde geitelip,
de warmte onder een appelboom van biggen
die welgeschapen zijn uit vaders rib,
zijn mij genoeg om bij te liggen
 
's avonds. Maar als ik in de morgen stuik
bij mijn collega's op 't geboden uur,
wat ben ik dan, hoe sta ik daar
ineens met opgebonden botten,
 
een dungetakte dorenstruik
tegen een witgekalkte muur,
als een Kretenzer gapend naar
verlichte pinksterpolyglotten.
 

'Avond en morgen', nomen est omen. Het eerste hoofdstuk van Genesis doemt op: 'Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag.' (Gen. 1:5) Meer Genesis-verwijzingen volgen: de 'appelboom van biggen' (Gen. 2:16-20) die 'welgeschapen zijn uit vaders rib' (Gen. 2:21-23).

Halverwege het gedicht ligt de cesuur waarnaar de titel natuurlijk óók verwijst: de tegenstelling tussen de vredige, lome sfeer - zalige onwetendheid - waarin de 'ik' 's avonds nog verkeert en de opgeprikte, enerverende situatie die ontstaat bij het 's ochtends arriveren 'bij mijn collega's op 't geboden uur'. Zijn eerste werkdag? De zoveelste? Of gaat het om iets anders? Hoe dan ook, dat hij een grote vervreemding ervaart ten opzichte van zijn 'collega's', blijkt uit een aantal aanwijzingen:

'Stuiken' kan 'neerstorten' betekenen, maar een andere betekenis is 'het opbinden van korenschoven'. Dit gebeurt door het centraal rechtzetten van een schoof, waarrond dan nog een aantal schoven schuin worden geplaatst, zodat een eventuele windstoot het geheel niet zomaar kan omver blazen. Daarmee lijkt dit ene werkwoord - maar zie ook 'hoe sta ik daar' en 'opgebonden botten' - te verwijzen naar de droom van Jozef (Gen. 37:5-7), die met het vertellen daarvan aan zijn broers eveneens een grote verwijdering bewerkstelligde.

De combinatie van 'botten' en 'witgekalkt' roept een associatie op met de woorden van Jezus in Matteüs 23:27: 'Huichelaars, jullie lijken op witgepleisterde graven, die er vanbuiten wel fraai uitzien, maar vol liggen met doodsbeenderen en andere onreinheden. '

De slotverzen bevatten een metafoor die verwijst naar de gebeurtenissen uit Handelingen 2. De 'ik' staat net zo verbaasd, ontzet en misschien ook wel sarcastisch tegenover zijn collega's, als de talrijke en veelsoortige toeschouwers - er worden maar liefst 16 volkeren genoemd, waaronder de Kretenzers - indertijd commentaar gaven op de neerdaling van de heilige Geest op de apostelen (Hand. 2:1-13). De apostelen aanduiden als 'pinksterpolyglotten' (Grieks voor 'meertaligen') is vast niet complimenteus bedoeld. Het gedicht Avond en morgen I lijkt dan ook 'verwijdering' als hoofdthema te hebben.

Hoewel... Dat de 'ik' zich uitgerekend afficheert als 'Kretenzer' zal toch niet toevallig zijn. In Titus 1:12-13 stelt Paulus: 'Een van hun eigen profeten, zelf een Kretenzer, heeft gezegd: "Kretenzers zijn onverbeterlijke leugenaars, gemene beesten, vadsige vreters." Dát is pas een waar woord!'. Is daarmee alles wat in dit fascinerende gedicht geponeerd wordt een leugen?

Bibliografische referenties

Jos de Haes, Verzamelde gedichten. Met een voorwoord van Ad Zuiderent. Antwerpen: Manteau, 2e herz. dr., 1986, p. 107.

Heeft betrekking op:

Genesis 1:5, Handelingen 2:1-13