Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Jos de Haes - Bloemlezing

De poëzie van de Vlaamse dichter en classicus Jos de Haes (1920-1974) wordt weinig gelezen, waarschijnlijk vooral vanwege de veeleisende thematiek van zijn werk. Wie de moeite neemt zich erin te verdiepen, wordt echter beloond met poëzie van een grote intensiteit, die vaak gestalte krijgt in bijbelse motieven.

Het eerste gedicht lijkt een allusie op de tiende plaag uit Exodus. Het komt uit de bundel Gedaanten (1954)

Nacht
 
De vlerken van het kwaad
werden gezien op dak
en torenspits, want laat
is 't vlees verhit en zwak.
 
Ook de engel werd gezien,
hij dreef in blinderijl
en tekende onvoorzien
hier rood daar zwart een spijl.
(p. 39)

Het volgende gedicht, oorspronkelijk geschreven door 'Rachel, geboren in Rusland, 1890', werd door De Haes vertaald en gepubliceerd in de bundel Moderne Hebreeuwse gedichten (1967).

Elias
 
'k Woon als Elias, hoog en kaal.
En vaak in deze slapeloze nacht
heb ik aan die mirakelman gedacht:
hoe hij de doden weer tot leven bracht.
 
Hoe hij op 't kind ging liggen zevenmaal;
en onvermoeibaar riep zijn stem de Heer.
Ten slotte zat hij bij de moeder neer
en sprak: uw zoon leeft weer.
 
Mijn lieve dode. Neen, hij komt niet meer
God smeken met zijn vurige kop.
Er is geen stem. Er is geen oor. Maar jij bent koud.
En jij staat niet meer op.
 
(p. 136)

Verder nog een Openbaringgedicht:

De Pool [4]
 
Oneindig oppervlak van zerken
ineengevroren, helder tapijt,
ijs, Patmos en de zeven kerken,
gegleisde staat der eeuwigheid.
(p. 86)

En bij Jesaja (Jeremia?):

Avond en morgen [2]
 
Steeds meer denk ik aan hem die, vóór
een Ariër keizer of paus
werd in een wereld van vijf delen,
potaarde stak en blij was met zijn ziel
 
- een berm zijn horizon, een dier
zijn vriend, een plant zijn stijl -
en als een brand beweging blies
in 't eerste pottenbakkerswiel.
(p. 108)

 

Grafruggen
 
O God, wij zijn te vochtig en te vlezig
en voor elkander niet dan lip,
en laag in Uw gebied met zonde bezig,
niets dan bederf van kleideeg en van rib.
 
En allen in de greep van Uw begrip
- als darren die aan honigraten hangen,
als liederlijke ratten op een schip,
als longen in de lucht - gevoed, gevangen.
 
Indien Uw schepping van de duivel was
en alle mensen grafruggen van steen,
ons wezen zette vast zich in zijn as
ter rust, het ware wet, het ware steen,
ik lag te harden door de tijden heen
indien Uw schepping van de duivel was.
(p. 69)

 

Mijn zoontje slaapt
 
Mijn zoontje slaapt op kussens bij het raam.
Wollen zachtheid die hem geheel omhult
en toedekt in een wereld zonder naam
of teken, ademend één lang geduld.
 
De rust is in zijn vlees. Een amalgaam
van warmte en zaligheid dat u vervult,
o zuigeling, geduldige erfgenaam
van alle schuld die gij nooit kennen zult.
 
Vóór gij er waart was reeds berekenbaar
uw lieve naam in de erfzonde bedoeld.
Slaap, slaap! Wat éénge vrijheid is, bewaar!
 
Want wakker wordt gij in de klare koelt'
eens van uw geest, eer gij van jaar tot jaar
dat beest tot in uw ingewanden voelt.
(p. 66)

Bibliografische referenties

Jos de Haes, Verzamelde gedichten. Met een voorwoord van Ad Zuiderent. Antwerpen: Manteau, 2e herz. dr., 1986.

Heeft betrekking op:

1 Koningen 1:1