Overzicht bijbelboeken

Over > Interpretatie

Judas Iskariot

Judas, de discipel die Jezus verraden heeft, wordt ‘Iskariot’ genoemd om hem te onderscheiden van de andere Judassen in het Nieuwe Testament. De meeste geleerden gaan ervan uit dat die naam ‘afkomstig uit de plaats Kariot’ betekent.

Dat deze Judas uiteindelijk zijn meester zal verraden, wordt in alle evangeliën snel duidelijk. Al zeer vroeg in hun verhaal, in de verschillende lijstjes waarin de discipelen worden genoemd, vermelden de evangelisten op de een of andere manier dat Judas een verrader zal blijken (Mat. 10:4; Mar. 3:19; Luc. 6:16; Joh. 6:71). Judas ontsnapt daarna niet meer aan die rol: in verschillende passages tussen zijn introductie en de uiteindelijke uitlevering van Jezus wordt hij consequent negatief geportretteerd.

Zo vertelt de evangelist Johannes het verhaal van Maria, die Jezus’ voeten zalft met kostbare nardusolie. Judas protesteert daartegen. De evangelist trekt Judas’ motivatie voor dit protest (daar hadden een boel armen van kunnen eten) in twijfel en ontmaskert hem als een dief: Judas was de penningmeester van de kring rond Jezus en hij stal uit de kas. Ook dit geld zou hij voor zichzelf hebben willen houden (Joh. 12:1-8).

Een soortgelijk verhaal is te lezen in het evangelie van Matteüs (Mat. 26:1-13). Deze gebeurtenis is voor Judas de aanleiding om te gaan samenzweren met de hogepriesters, die Jezus uit de weg willen ruimen. Hij vraagt hun: ‘Wat krijg ik van u als ik hem aan u uitlever?’, waarop hem dertig zilverstukken worden overhandigd (Mat. 26:14-16). Volgens Lucas nam Satan bezit van Judas toen hij naar de priesters ging (Luc 22:3-6).

Matteüs benadrukt dat het verraad niet aan Jezus voorbij gegaan is. Tijdens het pesachmaal blijkt dat Jezus weet dat Judas van plan is hem uit te leveren (Mat. 26:21, 25).

Over de dood van Judas bestaan verschillende verhalen onder één gezamenlijke noemer: Judas is gruwelijk aan zijn eind gekomen. Volgens Matteüs krijgt Judas spijt van zijn daad en pleegt zelfmoord door zich te verhangen (Mat. 27:3-5). Het boek Handelingen vermeldt Judas’ uiteindelijke wroeging niet en schrijft zijn dood toe aan een ongeluk: ‘maar bij een val werd zijn buik opengereten, zodat zijn ingewanden naar buiten kwamen’ (Hand. 1:17-18).

Bloedgrond
Ook over wat Judas met zijn dertig zilverstukken deed, bestaan verschillende lezingen. Volgens Matteüs wil Judas, overmand door berouw, zijn zilverstukken weer teruggeven aan de priesters in de tempel. Maar aangezien dat ‘bloedgeld’ is, sturen die hem weer weg, waarop Judas het geld de tempel in smijt en zich verhangt. De priesters kopen er uiteindelijk ‘de akker van de pottenbakker’ van, die als begraafplaats gaat dienen voor vreemdelingen: Bloedakker geheten, vanwege het ‘bloed’ van Jezus (Mat. 27:3-8). Volgens de evangelist ging hiermee een profetie van Jeremia in vervulling (Mat. 27:9-10); de aangehaalde woorden zijn echter afkomstig van de profeet Zacharia (11:4-14).

Volgens Handelingen heeft Judas zelf de akker gekocht: ‘Van de beloning voor zijn schanddaad kocht hij een stuk grond’. Naar aanleiding van zijn gruwelijke val, zo wordt er verteld, noemt iedereen dat stuk grond ‘Akeldama’, oftewel ‘Bloedgrond’ (Hand. 1:17-18).

Het verraad
De synoptische evangeliën vertellen allemaal het verhaal van de kus. In de hof van Getsemane komt Judas ‘in gezelschap van een grote, met zwaarden en knuppels bewapende bende’, gestuurd door de hogepriesters, Jezus gevangennemen. Hij heeft met die bende een teken afgesproken: ‘Degene die ik kus … die is het, die moet je gevangennemen.’ En dat gebeurt ook: Judas begroet zijn meester met een kus en Jezus wordt weggevoerd. (Mat. 26:47-50; Mar. 14:43-48; Luc. 22:47-48). In het evangelie van Johannes ontbreekt de kus van Judas, maar zijn rol van verrader wordt wel benadrukt (Joh. 18:1-9).

De precieze reden van Judas’ verraad blijft in de evangeliën wat onduidelijk: het enige dat in de buurt komt van een motief is hebzucht. Judas wordt overigens nooit als vijand geportretteerd, maar altijd als vriend. Hij is een volwaardig lid van ‘de twaalf’ en als beheerder van de kas behoorde hij waarschijnlijk tot de discipelen die het dichtst bij Jezus stonden. Jezus’ affectie voor Judas blijkt ook uit zijn reactie op de kus: ‘Vriend, ben je daarvoor gekomen?’ (Mat. 26:50).

Zie ook

  • Toon Rode draad Judas Iskariot

Heeft betrekking op:

Matteüs 26:47-50, Marcus 14:43-45, Lucas 22:47-48, Johannes 18:2-5, Johannes 6:71, Johannes 13:2