Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Kees Glimmerveen - Judas

Kees Glimmerveen (1958) debuteerde met Judas in 1991. Sindsdien zijn er verschillende boeken van zijn hand verschenen, voor een deel onder pseudoniem (Mackay, Harman Nielsen).

De historische roman Judas speelt zich af op Kreta, in het jaar 73 na Christus. Het boek bestrijkt de drie dagen waarin Judas Iskariot als oude man zijn levensverhaal vertelt aan zijn buurman, de arts Lucas. Een verrassende situatie: Judas had toch zelfmoord gepleegd, nadat hij Jezus had verraden (zie 1:16-20)? En Lucas is toch de auteur van één van de evangeliën en van Handelingen, waarin deze feiten vermeld staan?

In een verhaal dat stijf staat van de flashbacks wordt verteld hoe Judas Jezus heeft leren kennen, en hoe hij hem is gevolgd tot in Jeruzalem. We krijgen een soort ooggetuigenverslag, waarin allerlei bekende gebeurtenissen en situaties uit de evangeliën langskomen (o.a. genezingen, de Bergrede, de opwekking van Lazarus), voor een deel ‘herzien’ door de ogen van Judas. De voornaamste afwijking van de bijbelse geschiedenis is Judas’ reconstructie van de gang van zaken in Jeruzalem. Judas beschrijft hoe Jezus de greep op de gebeurtenissen kwijtraakt, hoe hijzelf een moordaanslag op Jezus verijdelt, hoe hij na Getsemane in de kerker van Jezus weet door te dringen en ... zijn plaats inneemt. De man die aan Pilatus wordt voorgeleid, en die wordt gegeseld en gekruisigd, is dus niet Jezus maar Judas! De auteur Glimmerveen meldt in zijn Verantwoording dat dit gebruik van de personages Judas en Jezus historisch en theologisch teruggaat op opvattingen uit de 4e eeuw na Christus (o.a. van Arius).

Een belangrijk deel van de roman bestaat uit kritiek op Paulus. Judas debatteert veel met Lucas over de betekenis van Paulus. Hij typeert Paulus’ leer over Jezus als ‘belachelijk, gevaarlijk, misdadig’ (p. 268). Judas verwijt Paulus dat hij Jezus voor zijn eigen dogmatische kar heeft gespannen, en dat hij zijn absolute overtuiging en onbetwijfelbare zekerheden aan iedereen wil opleggen. Sarcastisch becommentarieert hij Paulus’ woorden uit 1 Korintiërs 7:7:

'Ik zou wel willen dat alle mensen waren zoals ikzelf,' schreef hij. Liever niet. Laat de mensen hun eigen weg vinden. (p. 74)

De boodschap is duidelijk: Lucas – én de lezer – moet maar kiezen tussen de dwingelandij van Paulus en de integere ethiek van Judas.

In het hele boek vinden we, naast verwijzingen naar de evangeliën en de nieuwtestamentische brieven, verschillende elementen uit Handelingen: van de hemelvaart, Pinksteren (of: hoe Petrus die altijd zo slecht uit zijn woorden kon komen, opeens welbespraakt wordt), Petrus en Johannes voor het Sanhedrin, de steniging van Stefanus, tot en met Paulus’ aankomst in Rome. In de Proloog staat de volgende karakteristieke beschrijving van Paulus’ optreden voor de Areopagus (p. 14-16):

In Athene, waar hij alleen kwam en dus op zichzelf was aangewezen, op zijn farizese hoogmoed en zijn christelijke onfeilbaarheid, begon Paulus de Grieken de les te lezen. ‘Waarde Atheners, enkelen van u hebben mij uitgenodigd hier voor de Areopagus te verschijnen en te spreken,’ begon hij pompeus zijn rede, ‘waarvoor mijn dank. Werkelijk, u bewoont een buitengewoon fraaie stad. Ikzelf kom uit Tharsus, maar ik beken volmondig dat Athene ook veel schoons heeft.’

Wanneer Paulus na een lange aanloop Jezus en de opstanding uit de dood ter sprake heeft gebracht, ontstaat er een discussie die in Handelingen niet te vinden is. Een Areopagiet merkt op:

‘De doden opwekken, is dat eigenlijk niet een tegenspraak? Als we de dood definiëren als het einde van het leven – en hoe zouden we het anders moeten definiëren? –, kan dit einde van het leven dan weer een begin van hetzelfde leven zijn? Verklaar dit eens, vreemdeling.’ ‘Het gaat er niet om de opstanding te verklaren,’ zei Paulus, die in zijn ongeduld zijn bombastische manier van spreken vergat. ‘Het gaat helemaal niet om verklaren. Het gaat om geloven. Geloven en verlost worden. Het geloof in de enige God, die redding ...’ ‘Nee, nee,’ hield de vragensteller aan, ‘zo maakt u er zich niet van af. Een einde is een begin, een begin is een einde. Daar gaat het om. (...)’

Bibliografische referenties

Kees Glimmerveen, Judas, Baarn: de Prom, 1991.

Heeft betrekking op:

Handelingen 4:1, Handelingen 1:16, Handelingen 1:1, Handelingen 15:1, Handelingen 17:15-34