Overzicht bijbelboeken

Letteren > Drama

Kees van der Zwaard - Job, een man uit het land Utz

Het drama van Job blijkt in onze cultuur keer op keer te vragen om een theatrale bewerking. Zo was in juni 2009 op het Holland Festival Hiob te zien, Johan Simons’ bewerking en enscenering van de roman van Joseph Roth. Een paar maanden eerder presenteerde Lettie Oosterhof een 'muzikale vertelvoorstelling' op basis van Drie rode rozen van Abel HerzbergAbel J. Herzberg - Drie rode rozen. Daarvóór speelde Henk van Ulsen zijn Job op SchoklandHenk van Ulsen - Job op Schokland. En in Vlaanderen debuteerde Guido Lauwaert in 1977 met zijn monoloog Job & Jaweh op een authentieke mestvaalt bij Roeselare.

n.v.t
Job een man uit het land Utz

In 1997 maakte schrijver, theoloog en theatermaker Kees van der Zwaard in opdracht van Opus 5 de tekst voor Job, een man uit het land Utz. Van der Zwaard heeft vaker bijbelse stof bewerkt: Ooit is het begonnen (Genesis 1-11), ik heb een dode David lief, Consorte (Hosea)Theaterwerkplaats Ode - Hosea, Doodgoed (Openbaring)Kees van der Zwaard - Doodgoed.
Job, een man uit het land Utz was een theatrale vertolking van het oudtestamentische verhaal, gespeeld op locatie door 20 spelers, 10 kinderen, kamerkoor, piano en slagwerk, onder regie van Gerard Evers, met muziek van Fons van der Mullen. Kees van der Zwaard speelde hierin zelf de rol van de aanklager alias de duivel:

Hier ben ik.
Ik heb over de aarde rondgezworven,
rondgekeken, hier en daar en overal.
...
Ja, ik heb ook gelet op Job.
Een oprechter mens dan Job
is er op aarde niet te vinden?
Een rijker zult U bedoelen.
...
Ik?
Ik suggereer niets, helemaal niets.
Aan Job doe ik niets toe of af,
alleen...
U zegt nu wel dat Job van goeie huize komt,
maar U heeft zelf dat huis gebouwd.
Geen wonder dat het overeind blijft staan
en Job erbij.
Wat ik mij afvraag is:
staat Job nog zo stevig in zijn schoenen
als er geen muren zijn om tegenaan te leunen,
geen geld meer om het leven te regelen,
geen kinderen om op te hopen?
U weet toch ook, dat vroomheid en voorspoed vaker samen opgaan,
totdat voorspoed de vriendschap opzegt
en vroomheid verraden achterblijft.
Ik acht het niet ondenkbaar,
dat de bron voor Jobs gebeden,
die ten hemel stijgen,
is te vinden in het stijgen van de rente.
Ik moet nog zien, dat Job U prijzen blijft uit diep ontzag
en looft uit alle macht, als het ontzaglijk tegenzit.
Ik wed van niet.
n.v.t
Job een man uit het land Utz

In 1998 bewerkte Kees van der Zwaard deze tekst tot een solovoorstelling, waarin hij alle rollen vertolkte: Job, de vrouw van Job, een vriend, de aanklager en God. In de regie van Natalie Holwerda en met muziek van Wim Boor speelde hij deze versie 80 keer in Nederland en België.
Het publiek was getuige van de transformatie van de oprechte Job, via de woedende en bittere Job, langs de wanhopige Job tot aan de Job die niet langer weigert om zich te laten troosten.

n.v.t
Job een man uit het land Utz

De oprechte Job:

Geliefden rondom mij,
luister naar wat ik te zeggen heb,
neem eerst mijn woorden tot jullie,
voordat je grijpt naar brood en wijn.
Geduld maakt de wijn, geliefden.
Domheid is als een druif,
één klap erop en ze loopt leeg.
Maar wijsheid is als wijn,
gerijpt tot smaak en vreugde.
Geloof niet in de vreugde van een slok,
maar zoek de vrolijkheid van hoger orde.
Een slok is als een losse lach,
die wegsterft van de lippen.
Maar wijsheid geeft een vrolijk hart,
een lach die niet betrekt
als de grap voorbij is - en de kruik leeg.
Hoed je voor de leegte, mijn kinderen,
leeg is het woord dat niets zegt,
het woord gesproken op een tijd
dat je beter zwijgen kunt.
Wie knoeit met woorden
maakt vlekken op de ziel.

De woedende Job:

Weg met de dag, dat ik ter wereld kwam.
Was de zon die dag maar weggebleven,
zodat ik nooit het levenslicht had kunnen zien.
Welk misplaatst plezier is er beleefd
in de nacht van mijn verwekking,
hoe onterecht werd er in tederheid geluk gedeeld.
Welke dwaas heeft het gewaagd
om feest te vieren wegens mijn geboorte?
Wie nam mij op haar buik
om lachend te bezien dat ik het was?
Wie gaf mij ooit de borst
alsof ik dorstte naar dit leven?
Had mij maar onbekend gelaten, ongezien en onbemind.
Wat is liefde als ze is gedoemd om te verdwijnen.
Ik wil slapen.
Laat me slapen en niet weten,
nooit meer wakker worden in het onbarmhartig licht.
Laat mij wegsterven tot stof,
dat onbezield verstuift.
Was ik maar dood.
O God, is dit mijn lot?

De bittere Job, tegen zijn vriend:

Hoe kun je voelen wat ik voel?
Ik zou willen dat de zwaarte van mijn pijn goed werd gewogen.
Je praat maar en je praat maar
en je rijgt een lange reeks gedachten aan elkaar
en als je uitgesproken bent, zeg je:
zo, nu is de ketting klaar.
Het enige wat ik nog hoef te doen
is de conclusie van jouw rijgen
om mijn nek te hangen - als een strop -
en dan te zwijgen.

De wanhopige Job:

Ik ben de
troost voorbij.
Al wat ik
zoek is een
aanwezigheid
die mij vertelt
dat ik er ergens
nog toe doe.
Buiten mij om
gebeurt te veel.
In het noorden
hoor ik slechts
een schreeuw.
Het oosten
houdt zijn
hemel dicht.
De zee blijft
stil in het
zuiden.
Westwaarts
begeeft zich
ondergang.
Ik roep tegen
de stilte in:
ontken mij niet,
ik wil niet meer
zijn dan een mens.
Mijn stem breekt
voor God
tegen God.

Job die niet langer weigert om zich te laten troosten:

Ik ben te nietig om van iets te weten.
Zoveel geheimen zijn aan mij voorbijgegaan.
God blijft groter, onbekender ook.
Maar Hij heeft kunnen hebben, dat ik ben,
dat ik overbleef met mijn stem.
Wat ik gezegd heb, heb ik gezegd,
dat is niet afgebroken.
Werd ik opgevangen in de leegte,
in de lucht?
Ik weet niet meer,
dan dat mijn klacht de ruimte kreeg.
Nu ben ik uitgesproken.
De rest heb ik van horen zeggen zien.
n.v.t
Job een man uit het land Utz

Opvallend in deze voorstelling is de rol van de vrouw van Job. In het bijbelverhaal speelt zij een kleine rol, die meestal negatief wordt geduid. Op grond van het feit dat Job aan het eind van het verhaal weer kinderen krijgt, neemt Kees van der Zwaard de vrijheid om te concluderen dat de vrouw van Job bij hem is gebleven, en dat ze elkaar weer ontdekt hebben. Iets van die trouw en dat geduld is al te horen in het lied van Jobs vrouw; nadat ook haar bestaan in duigen is gevallen, zingt zij :

Ik had hem lief,
hij heeft mij veel gegeven.
Natuurlijk was er overvloed,
maar zelfs zonder dat
was ik ook bij hem gebleven,
en ook zonder dak
had ik bij hem willen wonen.
Hij is de vader van mijn dochters en mijn zonen.
Ik had hem lief, ik had hem lief.
En verder was er nog zijn God,
ook mijn God, maar meer de zijne.

Ik had genoeg,
genoeg om van te leven.
Ik wist wel dat zijn aandacht soms
verdwenen was;
de schaduw van zijn God
viel over mij
alsof niet Hij maar ik onzichtbaar was.
Waar ben je nu toch Job, mijn Job,
ik zie je, maar bereik je niet.

Ik heb je lief,
meer dan ik kan verdragen -
de liefde die jouw kinderen
gedragen heeft.
Zie jij mij nog, ik ben
de enige
die jou als man en vader kent.
Jouw kind'ren zijn mijn kinderen zijn weg,
zijn dood, ik sterf
als ik die leegte nu niet delen kan
met jou alleen, mijn Job, mijn man.

Bibliografische referenties

Kees van der Zwaard, Job, een man uit het land Utz, Gorinchem: Narratio, 1997.

Zie ook: www.keesvanderzwaard.nl

Heeft betrekking op:

Job 1:10, Job 2:9, Job 3:3-15, Job 13:12, Job 23:2-9, Job 40:4-5, Job 42:3-5