Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

Kinderoffers en Moloch

De praktijk van het offeren van kinderen in de Oudheid komt naar voren in een inscriptie uit het oude Carthago, in Noord-Afrika: ‘Aan de heer Baal-Hammon, een gelofte die Adonbaal, de zoon van Abdesjmoen afgelegd heeft, het offer van een man: zijn eigen kind, zijn volmaakte zoon.’ Niet alleen in Carthago werden kinderen aan de goden geofferd, maar ook in Phoenicië en Kanaän.

In de bijbel lezen we ook over kinderoffers. Die worden daar in verband gebracht met de naam van de god Moloch. Zowel de pentateuch als de profeten verbieden uitdrukkelijk het offeren van kinderen. Leviticus 18:21 zegt bijvoorbeeld: ‘Ontwijd de naam van je God niet door een van je kinderen aan Moloch te offeren’.

In het Oude Testament lezen we over een bepaald ritueel dat samenhangt met de dienst aan Moloch. Koning Achaz van Juda gaat volgens 2 Koningen 16:3 ‘zo ver dat hij zijn zoon als offer verbrandde’. Koning Manasse (2 Kon. 21:6) voltrok hetzelfde ritueel, dat letterlijk het ‘door het vuur laten gaan’ van een kind inhoudt.

Moloch was waarschijnlijk een van oorsprong Kanaänitische godheid, wiens cultus door de geëmigreerde Israëlieten werd voortgezet. Dat blijkt enerzijds uit de bijbel (Deut. 12:30-31), maar ook uit buitenbijbelse bronnen. Teksten uit Ugarit bewijzen dat er in Kanaän een god met de naam mlk was – een naam met dezelfde stam als ‘Moloch’ dus. De naam ‘Moloch’ betekent ‘heer’ of ‘koning’. Tegenwoordig wordt aangenomen dat Moloch de ‘heer van de onderwereld’ was. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de plaats waar de kinderofferdienst zich voltrok. Achaz en Manasse verbrandden hun zoons diep in het dal van Hinnom (2 Kon. 23:10; 2 Kron. 28:3, 33:6); de offerplaats waar dat gebeurt wordt ‘Tofet’ genoemd (2 Kon. 23:10, Jer. 7:31-32). Daarom noemt de profeet Jeremia het dal van Hinnom het ‘Moorddal’, en wordt het in nieuwtestamentische tijden synoniem voor ‘de onderwereld’ of de ‘hel’ (‘Gehenna’, Matt. 5:22; Jak. 3:6).

De offerdienst aan Moloch – van zowel jongens als meisjes; Jer. 7:31 – voltrok zich dus in een dal onderaan de berg Sion, waar de tempel stond en waar de dienst aan God de Heer, de ‘Allerhoogste’ plaatsvond. Pogingen om beide cultussen te combineren worden in de bijbel fel bekritiseerd: Lev. 20:3 veroordeelt de man die zijn religieuze plichten in Gods heiligdom komt vervullen, nadat hij een van zijn kinderen aan Moloch heeft geofferd en ook de profeet Ezechiël spreekt daar schande van (Ez. 23:39).

Het offer van een kind werd wellicht als een bijzonder groot en dus ‘krachtig’ offer beschouwd, en werd waarschijnlijk alleen gedaan in tijden van grote nood – in penibele oorlogssituaties bijvoorbeeld. In 2 Koningen 3 wordt verteld dat de koning van Moab, tijdens een belegering, zijn oudste zoon op de stadsmuur offert als een brandoffer. De Israëlieten staken de aanval uit ‘ontzetting’ (2 Kon. 3:27), zo gaat het verhaal. De Moabieten zullen die aftocht wel gezien hebben als de interventie van hun god in ruil voor het leven van de kroonprins.

Ten slotte is het nog nodig in dit kader de aandacht te richten op twee andere verhalen uit de bijbel. Allereerst het verhaal van de rechter Jefta. Voordat deze ten strijde trekt, belooft hij dat hij als God hem de overwinning schenkt, het eerste wat hem bij behouden thuiskomst zal tegemoetkomen als brandoffer zal offeren – niet wetende dat dit zijn enige dochter zal zijn. Uiteindelijk, zo staat er, bracht hij ‘zijn gelofte ten uitvoer’ (Recht. 11:28-40).

Daarnaast is er natuurlijk nog het beroemde verhaal in Gen. 22, waarin Abraham van God de opdracht krijgt zijn zoon Isaak te offeren. Uiteindelijk gebeurt dat niet; God zorgt voor een ram die in plaats van Isaak geofferd wordt.

Heeft betrekking op:

Rechters 11:28-40, Ezechiël 16:20-21, Ezechiël 20:26, Ezechiël 23:39, Leviticus 18:21, Wijsheid 12:6, 2 Koningen 16:3, 2 Koningen 23:10, Jeremia 7:31, Jeremia 19:5, Jeremia 32:35, Jeremia 2:23, Deuteronomium 12:31