Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Laet ons mit hartzen reyne

Onder de geestelijke liederen die in de loop der eeuwen zijn ontstaan, nemen kerstliederen een grote plaats in. Ook uit de Late Middeleeuwen zijn veel van dat soort liederen bekend. Ze zijn vaak meer beschrijvend dan lyrisch. Dat wil zeggen dat niet de innerlijke gemoedsuitdrukking van de dichter centraal staat, maar dat de nadruk meer ligt op het doorgeven van het kerstverhaal. Verschillende gebeurtenissen worden bezongen, bijvoorbeeld de annunciatie, de aanbidding door de drie wijzen en natuurlijk de geboorte van Jezus.

Vanaf de vijftiende tot de achttiende eeuw keert een groot aantal kerstliederen steeds terug in verschillende boeken, zij het soms met enkele wijzigingen. Een voorbeeld van een dergelijk veel voorkomend lied is Laet ons mit hartzen reyne, over de aankondiging van Jezus’ geboorte. Het lied is al te vinden in een van de oudste bronnen met geestelijke liederen uit de vijftiende eeuw: een handschrift dat wordt aangeduid als Berlijn SPK mgo 190. In dit perkamenten handschrift, dat zich in Berlijn bevindt, staan het refrein en de eerste strofe van het lied beschreven met muzieknotatie. In latere edities is deze notering, die afwijkt van onze hedendaagse, omgezet in de notatie zoals wij die nu kennen. Zo is het dus mogelijk om dit lied nu nog, na zoveel eeuwen, niet alleen te lezen maar ook te zingen.

Het lied begint met het refrein dat steeds na elke strofe wordt herhaald.

Laet ons mit hartzen reyne
loven dat suete kindekijn.
Het brinct ons uten weyne.

(Laat ons met reine harten, loven dat zoete kindje. Het haalt ons uit de ellende.)

De eerste vier strofen vormen de aanloop tot de annunciatie. Allereerst wordt de lof gezongen op Maria en Jezus. Daarna geeft ‘die vader van hier boven’ opdracht aan de engel om naar de ‘schone fonteyne’ Maria te gaan en haar te vertellen dat ze ‘gods moeder’ mag zijn.

In de volgende twee strofen wordt verteld hoe de engel Gabriël Maria groet en haar de boodschap van God brengt. Maria antwoordt daarop in de zevende strofe: ‘Hoe soude dat comen by? / Ic en kende sekerlike / noyt man.’ ('Waar zou dat door komen? Ik ben, zeker weten, nooit intiem geweest met een man.'). De engel stelt haar gerust: ‘Die heilige gheest sal comen in u’.

In strofe tien kan Maria dan zeggen: ‘Ic bin bereit. In uwen woerden alleyne / set ic den wille mijn. / Siet hier Gods dierne cleyne.’ (ik ben bereid. In uw woorden alleen leg ik mijn wil. Zie hier Gods nederige dienstmaagd). De engel gaat weg, Maria wordt bevrucht en baart Gods Zoon. Het lied sluit af met een lofzang op Maria.

Bibliografische referenties

E. Bruning, M. Veldhuyzen, H. Wagenaar-Nolthenius, Het geestelijk lied van Noord-Nederland in de vijftiende eeuw. De Nederlandse liederen van de handschriften Amsterdam (Wenen –NB 12875) en Utrecht (Berlijn MG 8o 190). Amsterdam, 1963.

J.A.N. Knuttel, Het geestelijk lied in de Nederlanden voor de kerkhervorming. Rotterdam, 1906.

Heeft betrekking op:

Lucas 1:26-38