Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Leo Mets - Het paard van Elia

Deze oorlogsroman van de Vlaming Leo Mets (1911-1994) biedt een schoolvoorbeeld van de ‘monologue intérieure’. Ernest, de hoofdpersoon, lijdt aan geheugenverlies en probeert greep te krijgen op zijn verleden. Hij raakt ongeveer anderhalf jaar na de inval van de Duitsers gewond tijdens een bombardement op de stad waar hij werkt. Ernest vertelt zijn verhaal, voor zover hij zich dat herinnert, aan een psychiater in het hospitaal waar hij geneest van de amputatie van zijn onderbeen. Zijn geschiedenis komt maar bij flarden los. Volgens Deschamps, de psychiater, lijdt Ernest behalve aan geheugenverlies ook aan een oorlogspsychose en is hij bovendien schizofreen. Kenmerkend voor schizofrenie is dat de patiënt geen onderscheid meer maakt tussen hemzelf en iets dat buiten hem is, tussen (dag)droom en werkelijkheid, tussen 'ik' en een ander.
Inderdaad vertelt Ernest zijn verhaal afwisselend in dagdromen, echte dromen, visioenen en bewuste verslagen, althans, die verschillende bewustzijnstoestanden lijken soms aangegeven in het verhaal; mMaar soms ook niet, of minder duidelijk. Het verhaal ontglipt de lezer daardoor voortdurend, net zoals het verleden de patiënt voortdurend ontglipt: ‘Ik vergeleek mezelf met een piano: soms gestemd, soms niet, door de tijd bespeeld en alles danste mijn geheugen in en uit.’ Ernest gelooft zelf niet in schizofrenie, louter in geheugenverlies.

Volgens de definitie van de psychiater is Ernest schizofreen geworden tijdens de achttiendaagse veldtocht. De Belgische troepen moesten zich toen, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, verdedigen tegen de overmacht van de binnenvallende Duitse legers. Ernest voert het bevel over een batterij infanteristen. Hij vertelt over zijn paard: ‘Tijdens de veldtocht schonk iemand mij een paard; ik gaf het een psyche en het heeft met mij gepraat.’ Ernest noemt zijn paard Ster. Ster belooft Ernest dat hij de oorlog zal overleven: de merrie is in het oorlogsgeweld de belichaming van de hoop.

Op een dag, tijdens een bombardementspauze, komt Ster Ernest waarschuwen voor een naderende bommenwerper. Ernest brengt zichzelf in veiligheid, maar voor Ster is het te laat; het paard vindt de dood. In het verslag van Ernest aan zijn psychiater:

“Ik verloor mijn paard.
Over de gebarsten heuvelkam reed een vlammende wagen en vóór de brand uit draafde Ster hemelwaarts door het vuur ...”
Ik kon niet verder, maar ik geloof dat mijn verhaal af was. Mijn hart hamerde gelijk een machinegeweer. ...
Deschamps klapte zijn notitieboekje dicht en liet de gewrichten van zijn vingers kraken. “Het paard van Elia,” spotte hij.

Ernest wordt verliefd op Frida, zijn verpleegster. Wanneer zij zijn liefde beantwoordt, komt de hoop weer terug. Ze gaan uit eten in een restaurant. Door het raam ziet Ernest Ster langs draven:

... de ruiter draafde langs het raam voorbij. Hij verdween in de herfstbrand van doorzond lover in het laantje, zoals ik het paard in vuur en vlammen hemelwaarts had zien rijden. Het had mij toebehoord, een vergissing was uitgesloten, ik had met dit paard gesproken.

Maar Frida neemt zijn verhaal over Ster niet serieus.
Het restaurant blijkt een ontmoetingsplaats te zijn voor leden van het verzet. Ook Frida is één van hen. Niet lang na het etentje doen de Duitsers er een inval. Frida ontspringt de dans, en verwijt Deschamps min of meer dat hij verantwoordelijk is voor het verraad. Deschamps blijkt een handlanger van de Duitsers te zijn. De psychiater wil nu af van zijn verliefde patiënt, van Ernest, die door het vuur zou gaan voor Frida en dus een vijand van hemzelf zou kunnen worden. Deschamps verplaatst Ernest naar een adres op het platteland, waar hij na zijn ziekenhuisverblijf kan aansterken.

In het dorp ontdekt Ernest weer een stuk van zijn verleden. In de laatste dagen van de achttiendaagse veldtocht had hij hier drie dagen lang weerstand geboden aan de Duitsers. De situatie was hopeloos, de soldaten liepen al over. Maar hij was blijven terugvechten en had daarvoor later een onderscheiding gekregen. Ook ziet Ernest Frida in een visioen. Zij komt hem vertellen dat ze ontdekt is door de Duitsers en gedeporteerd. Op een avond ontdekt Ernest Ster in de schuur van de boerderij waar hij verblijft; hij gaat met haar op zoek naar Frida:

Ster herkende mij, smeet de kop omhoog en klopte met de hoeven. Ik leidde haar over het erf de straat op. Ik wipte op haar rug, klampte mijn handen in de manen en drukte de knieën tegen de flanken. “Hop, paardje, hop!” De wind floot om mijn oren en ik was de koning te rijk.

Maar hij vindt haar niet terug, integendeel. Hij wordt zelf gevonden, bewusteloos in een portiek. In een politiecel wordt hij ondervraagd. Wat weet hij van de moord op Deschamps? Want die blijkt ondertussen te zijn neergeschoten in zijn flat. Na de verhoren wordt Ernest geestesziek verklaard en naar een kliniek gebracht, waar een pater met hem in gesprek raakt. De pater wil wel een roman over hem schrijven. Maar dan wil Ernest zelf ook wel meeschrijven!

Het resultaat is deze roman van Leo Mets. De lezer krijgt steeds maar niet de vinger achter het verhaal. Personages uit het verleden lijken op te gaan in latere, ze ondergaan nauwelijks een gedaantewisseling. Wie is een metamorfose van wie? Is Frida een verzinsel van Ernest, of een vroegere verloofde, of de vrouw met viooltjesblauwe ogen die zich verhangt in het belastingkantoor? Verzint hij de psychiater of de rechercheur? Verwart hij de verschillende personen met elkaar door zijn geheugenverlies? Wanneer droomt Ernest en wanneer niet?
Leo Mets bewerkstelligt in zijn roman een metamorfose tussen de lezer en de ik van het verhaal, Ernest zelf. De lezer kan de bodem onder de werkelijkheid van het verhaal niet goed meer vinden, hoe hij ook zoekt.

Bibliografische referenties

Leo Mets, Het paard van Elia. Roman van een oorlog. Leuven: De Clauwaert, 1966.

Heeft betrekking op:

2 Koningen 2:11