Overzicht bijbelboeken

Kunsten > Beeldende kunst

Leren wat haat is

Rembrandt
De blindmaking van Simson

Elias Canetti, Nobelprijswinnaar voor literatuur in het jaar 1981, beschrijft in zijn memoires de betekenis die Rembrandts Blindmaking van Simson voor hem heeft gehad. Niet alleen geeft hij een onvergelijkelijke beschrijving van het schilderij, hij geeft ook een interpretatie van de functie van schilderkunst überhaupt.

'In Frankfurt kon je, om het Städel-museum te bereiken, de Main oversteken. Je zag de rivier en de stad en je schepte adem, dat schonk je moed voor het vreselijke dat je wachtte. Het was Rembrandts grote schilderij 'De blindmaking van Simson', dat mij schrik aanjoeg, kwelde en lange tijd in zijn greep hield. Ik zag het alsof het zich voor mijn eigen ogen afspeelde, en daar het ging om het ogenblik waarop Simson het licht uit zijn ogen verloor, was het een hoogst huiveringwekkende getuigenervaring. Tegenover blinden had ik me altijd beschroomd gevoeld, en ze, hoewel ze me fascineerden, nooit te lang aangekeken. Omdat ze mij niet konden zien, voelde ik me schuldig tegenover hen. Hier was echter niet de toestand weergegeven, geen blindheid, maar het blind maken.

Met ontblote borst, omlaaggetrokken hemd, zijn rechter voet schuin omhoog gestrekt en van dolzinnige pijn verkrampte tenen ligt Simson terneer. Een krijgsknecht, gehelmd en gepantserd over hem heen gebogen, heeft hem het ijzer in zijn rechter oog gestoten, bloed spat op zijn voorhoofd, zijn haar is kort afgeknipt, onder hem ligt een krijgsknecht die zijn hoofd naar het ijzer toegewend houdt. Het linker gedeelte van het schilderij wordt in beslag genomen door een andere beulsknecht. Naar Simson overgebogen staat hij er wijdbeens bij en houdt met beide handen de hellebaard op Simsons stevig dichtgeknepen linker oog gericht. Als een dreiging van de blindmaking die zal worden herhaald, overlapt de hellebaard het halve schilderij. Net als iedereen heeft Simson twee ogen; van de beulsknecht die de hellebaard vasthoudt, zie je er maar één, naar Simsons met bloed besmeurde gezicht en de voltooing van zijn opdracht toegekeerd.

Van buiten de groep, waarbinnen alles zich afspeelt, valt het volle licht op Simson. Het is niet mogelijk de blik af te wenden, deze blindmaking is nog geen blindheid, deze wordt dat pas en verwacht consideratie noch mededogen. Zij wil gezien worden, en wie deze heeft gezien, weet wat blindmaking is en ziet deze overal. Op het schilderij blijft één ogenpaar naar de blindmaking toegekeerd en geeft deze nooit prijs: de ogen van Delila, die in triomf wegvlucht, met in haar ene hand de schaar en in de andere Simsons afgeknipte haar. Is zij bang voor degene wiens haar zij vasthoudt? Wil zij ontsnappen aan het ene oog zolang hij dat nog heeft? Zij kijkt naar hem om, met haat en een moordlustige spanning op haar gezicht, waar evenveel licht op valt als op het gezicht van de blindgemaakte Simson. Haar mond staat halfopen: "De Filistijnen over u, Simson!" heeft die mond zojuist geroepen.

Verstaat hij haar taal? Hij begrijpt het woord Filistijn, het is de naam van haar mensen die hij versloeg en doodde. Tussen de ene en de andere verminking door kijkt zij naar hem, zij zal hem het overgebleven oog niet laten behouden, zij zal geen "Genade!" roepen en zich voor het mes werpen, zij zal hem met het haar, dat zij in handen houdt, niet met zijn oude kracht bekleden. Waarheen kijkt zij om? Naar het blind gemaakte oog en naaar het oog dat blind gemaakt zal worden. Zij wacht op het ijzer dat nogmaals zal toestoten. Zij is de wil waardoor het zich voltrekt. De gepantserde mannen en degene met de hellebaard zijn haar handlangers. Zij heeft hem zijn kracht ontnomen. Zij houdt zijn kracht in haar handen en haat en vreest hem nu nog, zij zal hem haten zolang zij aan die blindmaking denkt en zal er, om hem te haten, altijd aan denken.

Dat schilderij, waar ik dikwijls voor heb gestaan, heeft me geleerd wat haat is. Haatgevoelens had ik al vroeg gekend, veel te vroeg, toen ik vijf jaar oud mijn speelkameraadje met een bijl had willen doodslaan. Maar je weet daarmee nog niet wat je hebt gevoeld, om het te onderkennen moet het zich eerst aan anderen aan je manifesteren. Werkelijk wordt pas het onderkende dat je voordien zelf hebt meegemaakt. Zonder het te kunnen benoemen, rust het eerst in je, dan staat het er plotseling als een beeld, en wat anderen overkomt, ontluikt in jouzelf als een herinnering: nu is het werkelijk.'

Bibliografische referenties

Elias Canetti, De fakkel in het oor. Mijn levensgeschiedenis 1921-1931.Vertaald door Theodorus Duquesnoy. Amsterdam 1982, p. 118-120.

Heeft betrekking op:

Rechters 16:21