Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

Leviraatshuwelijk

Naast de beschrijving in Deuteronomium werpen twee verhalen uit het Oude Testament licht op het leviraats- of zwagerhuwelijk. Allereerst het curieuze verhaal van Juda en Tamar in Genesis 38 en vervolgens het verhaal van Ruth en Boaz in het boek Ruth (Ruth 4).

In Deuteronomium 25:5-10 staat dat als een man kinderloos kwam te overlijden, zijn broer de achtergebleven weduwe moest huwen om te zorgen voor mannelijk nageslacht. Er is ook een sanctie opgenomen voor onwillige zwagers, in de vorm van openbare vernedering. Als een broer zijn zwagerplicht niet wilde vervullen, moest zijn schoonzuster ten overstaan van de oudsten hem zijn sandaal uittrekken, hem in zijn gezicht spuwen en zeggen: ‘Zo vergaat het de man die zijn broer nageslacht onthoudt.’

De reden voor deze regeling was aanvankelijk het laten voortleven van de naam van de overleden broer. In later tijd golden de kinderen die voortkwamen uit een leviraatshuwelijk echter niet meer als kinderen van de overleden broer, maar als nakomelingen van de zwager van de weduwe. In de bijbelse genealogieën geldt het kind van Tamar bijvoorbeeld als zoon van Juda en niet van Er (Gen. 46:12 en Matt. 1:3). Hetzelfde geldt voor het kind van Boaz en Ruth (Ruth 4:21; Matt. 1:5).

Niet de overleden echtgenoot maar de achtergebleven weduwe was het middelpunt van het leviraatshuwelijk. Een vrouw in bijbelse tijden was ofwel een ongetrouwde maagd in het huis van haar vader, ofwel een getrouwde vrouw in het huis van haar echtgenoot. Het leviraatshuwelijk voorzag in het lot van de jonge kinderloze weduwe, die in geen van beide categorieën thuishoorde, door haar opnieuw aan een echtgenoot te verbinden.

Een tweede belangrijke functie van het leviraatshuwelijk was het veiligstellen van familiebezit. Doordat de weduwe met een familielid van haar overleden man trouwde, bleef diens bezit immers binnen de familie.

Heeft betrekking op:

Genesis 38:8, Deuteronomium 25:5-10, Ruth 4:1