Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

Losser

In het boek Leviticus staat de belangrijkste taak van een ‘losser’ als volgt beschreven: ‘Raakt uw broeder in moeilijkheden, zodat hij een deel van zijn bezit moet verkopen, dan moet zijn naaste verwant het bezit dat zijn broeder verkocht heeft, terugkopen’ (Lev. 25:25). De naaste verwanten moeten er dus zorg voor dragen dat het familiebezit binnen de familie blijft. We zien bijvoorbeeld een losser in actie in de persoon van de profeet Jeremia als deze de akker van zijn neef koopt (Jer. 32:6-25). De beroemdste losser komen we echter tegen in het boek Ruth. Daarin treedt Boaz op als losser voor Noömi, door de akker te kopen die zij achtergelaten had, toen zij als gevolg van hongersnood met haar gezin naar Moab vluchtte (Ruth 4:1-10).

Een andere taak van de ‘losser’ is het vrijkopen van familieleden die genoodzaakt waren geweest zichzelf als slaaf te verkopen. Deze mensen hadden het recht ‘verlost’ te worden uit de slavernij door een naaste familielid (Lev. 25:47-49).

Ten slotte kan een ‘losser’ optreden als bloedwreker van een vermoord familielid (Num. 35:9-29; Deut. 19:1-13). Een verhaal over zo'n bloedwreker vinden we in 2 Samuël 14. Daarin wordt verteld dat er een vrouw aan het hof van koning David komt. Ze vertelt dat ze twee zonen had, en dat de een tijdens een ruzie de ander heeft omgebracht. Nu is er een ‘losser’ – een verwant die optreedt als bloedwreker – die haar zoon wil doden en ze vraagt de koning dit te verhinderen. David zweert uiteindelijk een plechtige eed dat haar zoon geen haar gekrenkt zal worden (2 Sam. 14:4-11).

In het boek Ruth wordt het losserschap gekoppeld aan het leviraatshuwelijk.Leviraatshuwelijk Hoewel beide gebruiken functionele overeenkomsten hebben – bijvoorbeeld het familiebezit binnen de familie te houden – is er toch sprake van twee afzonderlijke instituten. Met andere woorden: het trouwen met de weduwe van een overleden broer was de plicht van een broer, maar behoorde niet tot de taken van de ‘losser’.

Ten slotte is het nog vermeldenswaardig dat in het boek Jesaja God zelf een aantal keren ‘losser’ van het volk in ballingschap wordt genoemd (bijvoorbeeld in Jes. 43:14; 48:17; 60:16; 63:16).

Heeft betrekking op:

Deuteronomium 19:1-13, Numeri 35:9-29, Leviticus 25:25-49, Ruth 4:1-10, Ruth 2:20, Ruth 3:9-13, Jeremia 32:6-25, 2 Samuël 14:4-11