Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Louis Couperus - Jahve

Het was de staâge nacht, waarin sluimerden de stille eeuwen - nog niet zijnde in den nacht, die al was; alléen waren de ruimte en de eeuwigheid: nacht was ruimte, en eeuwigheid der trage stille tijden sluimering, en wèl was er niets dan de vèrstrekkingen der tijd-eeuwige leêgte, - eeuwigheid overgoddelijk, en overgoddelijk ruimte, beiden geboren uit zich: begin, dat nooit was begonnen; ruimte, die noch hier noch ginds begon; eeuwigheid, die nòch eerste eeuw telde, noch laatste eeuw óoit tellen zoû: zóo ver beiden - hièr als daàr: de duizelende onbegrijpelijkheid voor eerste goden en allerlaatste menschen.

Zo begint het verhaal Jahve dat Louis Couperus in december 1902 schreef. Uit het tijd- en ruimteloze Geheim dat Couperus hier aanduidt, is Adem geboren. Deze Adem denkt ergens in de eeuwigheid vorm, en schept daarmee eigenlijk onbewust een wezen: Jahve. Deze Jahve toont zich direct hoogmoedig: 'IK BEN, en ik zal zijn eeuwig.' (Vgl. Ex. 3:14.) Hij claimt zelf het begin van alle dingen te zijn, en wil zich als schepper manifesteren:

Toen fronste Jahve de brauwen, waartusschen zijn gedachte troonde, en hij zeide:
- Begin wil ik zijn en vormen zal ik scheppen, vele....
Maar terwijl het zoo donderde uit zijn holte van mond door de ruimte, wist hij, dat hij zichzelven bedroog, en dat hij het Begin niet was.
- Vormen zal ik scheppen, vele! sprak hij en hem troostte zijn weting van macht. Over de vormeloosheid strekte hij uit de armen en hij zeide:
- Er zij licht!
En er was licht. Het licht streed uit de duisternis zich stralende los [vgl. Gen. 1:3-4], en Jahve meende, dat hij het licht had geschapen. En hij wist niet, dat, hem barmhartig, het licht was gevloeid uit de Bron, het ondoorgrondelijk Geheim, dat was vóor Jahve en Adem waren.

Couperus tekent deze selfmade God als een soort tovenaarsleerling: Jahve zet zich voortvarend aan de schepping van het heelal en van de engelenwereld, maar hij heeft de zaak totaal niet in de hand. Daarbij is hij ook nog eens een jaloers God [vgl. Ex. 20:3-5], die wil dat alle aandacht van zijn schepselen naar hem uitgaat.
Het is voor Jahve een hard gelag als Adem hem op een gegeven moment voorhoudt dat hij niet de enige God is. Adem is duidelijk: als Jahve de andere goden als een product van verbeelding beschouwt, moet hij zich wel realiseren dat dat dan ook voor hemzelf geldt. Maar Jahve houdt nog vol:

Ik ben grooter dan gij, daar ginds! Ik ben Jahve, Aanvang en Einde, Oorsprong en Doel [vgl. Openb. 22:13]: ik ben, ik ben alleen werkelijk....

Dan volgt een confrontatie met zo'n beetje de hele godenwereld, te beginnen bij Baäl en Astarte. Na ontmoetingen met de Egyptische, Griekse en Germaanse goden wordt Jahve eindelijk wat milder. Glimlachend ziet hij toe hoe Boeddha vereerd wordt:

Bitterheid was zoo groot niet in hem meer, omdat aanbidding opsteeg tot andere goden. Misschien was hij schim als zij allen, en was aanbidding niet meer dan een wolk van wierook. Uit alle werelden naar alle goden steeg de aanbidding op, en was als een groote wolk blauw, die uit der menschheden ziel rees. En tusschen de goden en menschheden beiden werden de heilige middelaren geboren. Weêr boog Jahve zich glimlachend over Azraëls ster: de groene aardester wemelde in den gloed van den nachtelijken hemel: tusschen lichtsterren rees een blauwe ster, zonnig groot, stralen-uitzendend op: in een stal tusschen ezel en os baarde een maagd een kindekijn en, nu het zat op haar schoot, kwamen van heel ver prachtige koningen met stoeten van kemelen en aanbaden het kindekijn, het biedend geuren en goud. Een booze vorst echter gebood alle kinderen te dooden, opdat ook het kindekijn, waarom duistere voorspelling zweefde, zoû sterven, maar de moedermaagd vluchtte er meê, op een ezel, en door woestijnen, en engelen glooiden haar pad uit. Nu riep het volk, dat het kindekijn Gods zoon zelve was en het kind groeide op als een godezoon, wijs in deugd en genezend in daden, zalig in smart: Jahve's zoon zelve was onder de menschen gedaald, om de menschheid te verlossen van bangheid en boosheid. En Jahve glimlachte steeds en zag met liefde toe naar dwaling, zoo aanbiddelijk liefdadig. Maar de godzoon werd gegrepen, bespot en gegeeseld, en stierf aan het kruis, en zoo boos werd Jahve, dat hij storm en bliksem verzamelde, en het onweêr uitbarstte rondom den kruisberg, waar de verlosser hing, met brekend oog, doorngekroond, tusschen booze misdadigers, twee. De verlosser gestorven, na den dood herrezen, en verheerlijkt opgevaren, steeg de aanbidding omhoog, groote blauwe wolk uit der geloovige menschheden tempel en ziel. Apostelen trokken over Azraëls ster, martelaren stierven in de amfitheaters. En met torens als bloemsteelen, duizenden, bloeide de aanbidding in extaze omhoog, en de kathedralen geurden als bloemen, in hare adoratie, die nevelde blauw over Azraëls ster, die bleef hangen in de atmosfeer zwaar, die kronkelde omhoog op als een wierookspiraal, de voeten van Jahve omwalmend. En het ontroerde hem en hij weende. Nu zag hij zich als de menschheden alle, zoo menschelijk als goddelijk, en, zelve god, voelde hij tot aanbidding zijn aandrang.... Nu, waar hij zag, zag hij de kerken, de kathedralen optorenen in aanbidding omhoog....

Het lijkt erop dat Couperus met dit verhaal inspeelt op de nieuwe spiritualiteit die rond 1900 in Europa hoogtij vierde. Met het loslaten van een exclusief christendom, en in de onmiskenbaar mystieke en gnostische elementen in dit verhaal, sluit hij nauw aan bij de theosofie die in die dagen ook Nederland veroverde.

Bibliografische referenties

Louis Couperus, 'Jahve' in: God en goden, Amsterdam: L.J. Veen, 1903. Eerder in datzelfde jaar gepubliceerd in de eerste jaargang van Groot Nederland. Letterkundig Maandschrift voor den Nederlandschen stam. [De volledige tekst is ook te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

Genesis 1:3-4, Exodus 3:14, Exodus 20:3-5, Openbaring 22:13