Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Lucretia van Merken - David

Ze werd bewonderd door Betje Wolff, Hendrik Tollens en Willem Kloos, zelfs werd ze ooit de ‘grootste Dichtresse onzes Lands’ genoemd. In Leiden en Veenendaal zijn straten naar haar genoemd, maar tegenwoordig zullen velen Lucretia Wilhelmina van Merken (1721-1789) niet meer kennen.
Ze vestigde haar naam als schrijfster met Het nut der tegenspoeden (1762), een leerdicht waarmee ze haar lezers wilde steunen en bemoedigen in moeilijke tijden. En Van Merken wist waar ze het over had: in zes jaar tijd verloor ze haar ouders en haar dierbare zus. In dit werk baseerde ze zich op haar vaste geloofsovertuiging, die het haar mogelijk maakte dat lijden te dragen.

In 1767 verschijnt haar bijbelse epos David. Het epos is sinds de oudheid het literaire genre bij uitstek om helden uit te beelden. Ook in Van Merkens tijd zijn leiderschap en moreel gezag actuele thema’s. Dat dit dichtwerk bij de lezers in goede aarde valt, blijkt wel uit het feit dat al een jaar later een tweede uitgave verschijnt. Daarbij maakt Lucretia bovendien handig gebruik van de mogelijkheid enkele spel- en drukfouten te corrigeren en wat wijzigingen in de tekst aan te brengen, zodat deze editie nog beter wordt dan de eerste. Ze kiest de bijbelse koning David als onderwerp en legt in haar ‘Voorberigt’ uit wat de lezer kan verwachten:

Ik heb dien Vorst tot het voorwerp myner poezye verkooren, en hem, van zyns Vaders huis af, door eene menigte van rampen en wederwaardigheden, naar den rykszetel van Juda geleid.

Het epos David behandelt dus het leven van de titelheld vanaf diens zalving door de profeet Samuël (1 Sam. 16) tot het moment waarop hij uitgeroepen wordt tot koning over Juda (2 Sam. 2). Het is de intentie van de schrijfster de hindernissen, gevaren en beproevingen die David op zijn lange weg naar het koningschap ontmoet duidelijk uit te beelden. Dat hij die steeds te boven komt, heeft hij aan zijn sterke band met God te danken.

Aan het slot van haar voorwoord relateert ze David aan haar veelgeprezen bundel Het nut der tegenspoeden. Van haar theoretische betoog uit 1762 over het omgaan met moeilijkheden in het leven is koning David een zeer levendige illustratie. Hij is het praktijkvoorbeeld dat laat zien dat het loont vast te vertrouwen op Gods voorzienigheid. Naar eigen zeggen is het altijd Van Merkens doel geweest dit aan haar lezers duidelijk te maken:

Voorheen heb ik myne poogingen aangewend, om myne medemenschen te vertroosten en te versterken in de rampen van dit leven; en ten dien einde het Nut der Tegenspoeden verhandeld: 't is zeker dat eene voorgestelde waarheid nooit grooter kracht op onze zielen verkrygt, dan wanneer dezelve door luisterryke voorbeelden wordt bevestigd. Beschouw zodanig een voorbeeld in Koning David. Indien de schildery, die ik van die godvruchtigen Held gemaald [geschilderd] heb, deugdlievende gemoederen bevestigt in het welgegrond vertrouwen op de Godlyke Voorzienigheid, wier tedere zorg, getrouwe toevoorzicht en weldoende magt het nedrig hart versterkt, en in zwakheid kracht geeft, dan zal ik het groot oogmerk van mynen arbeid bereikt hebben.

Van Merken behandelt vrijwel alle gebeurtenissen waar David op weg naar zijn koningschap in verzeild raakte. Ze beschrijft de priestermoord in Nob (1 Sam. 22) bijvoorbeeld heel beeldend. Ze laat Abjatar aan David rapporteren (22:20-23) wat er allemaal gebeurd is: de priester Achimelech is samen met vierentachtig andere priesters vermoord.

[Ze lagen] gewenteld in hun bloed,
Dat hun gewaad besmet met eenen rooden gloed.
Hier ligt er één gestrekt met open monde en oogen:
Die heeft het aangezicht op zyne borst geboogen:
Een ander roert zich nog in ’t uiterste oogenblik:
Dees sluit het pynlyk oog: die geeft den jongsten snik.

De setting waarin Abjatar zijn verslag uitbrengt, doet sterkt denken aan de scène met de bode, na de val van Amsterdam in de Gysbrecht van Vondel. Zeer waarschijnlijk heeft Van Merken zich daardoor laten inspireren.

In het gezaghebbende tijdschrift de Vaderlandsche Letteroefeningen wordt vrijwel meteen na de verschijning van David een zeer lovende recensie afgedrukt:

Ik wilde, alles te gelyk zien en leezen, en viel op het Boek aan, gelyk een uitgehongerde op een welgestoffeerden maaltyd; Ik slikte alles, gretig, zonder proeven in: maar by eene volgende aanzittinge ging ik bedaarder te werk, en toen genoot ik eigenlyk: toen smaakte ik; toen had ik een wezenlyk vermaak. (…) Zy, die by de kunst te huis leggen, zullen erkennen, dat dit Heldendicht, (dus durven wy het noemen, Juffrouw Van Merken!) onze Natie eer aandoet.

De recensent durft Van Merken zelfs een internationale allure toe te schrijven: het is spijtig dat buiten de landsgrenzen niemand dit geweldige werk kan lezen, anders zou men zeker beseffen dat ze de competitie met buitenlandse auteurs met gemak aankan.

Jammer is 't, dat onze spraak, buiten den Kreits der Nederlandsche Gewesten, of geheel niet, of zeer gebrekkig verstaan wordt, anders zouden de Uitheemschen erkennen moeten, dat ons Holland, dat ons Amsterdam een Carmen epicum levert, waar by Engeland, Frankryk en Germanie den hoed moeten nederleggen; en dat eene Hollandsche Zangeres de buitenlandsche Zangers deezer eeuwe naar de Kroon steekt, of in veele opzigten overtreft.

Heeft betrekking op:

1 Samuël 22:20, 2 Samuël 2:11