Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Marcel Möring - Dis

Het verhaal van Marcel Mörings lijvige roman Dis speelt zich, net als Ulysses van James Joyce, grotendeels binnen een etmaal af, gedurende de 'Nacht van Assen' die voorafgaat aan de TT-races van 1980. De Drentse hoofdstad wordt hier vergeleken met Dis, de stad in de hel van Dantes Goddelijke komedie. In deze nacht, als Assen volloopt met in leer gestoken zuipende motorduivels, rijdt een van de hoofdpersonen van de roman, Jakob Noach, zich te pletter. Als in een visioen ontmoet hij dan een marskramer, die zich 'de Jood van Assen' noemt; dit personage is een combinatie van de eeuwig wandelende jood én Vergilius, die Dante op zijn tocht door de hel begeleidde.

Dit is maar één tipje van de sluier die de overdaad aan verhalen over deze roman legt. De flaptekst meldt: 'Dis is een rijke roman die verwijst naar literatuur, filosofie en historie; veelomvattend en zeer eigentijds'. De vele verwijzingen naar zijn literaire voorbeelden zijn Möring door de critici niet in dank afgenomen: opzichtig, geforceerd, te hoog gegrepen. 'Een puzzeltocht door de wereldliteratuur levert geen zoektocht in de hel op.' Ook Mörings filosofische diepzinnigheden als 'alles is niets' en 'nu is altijd' worden weggezet als te simpel en koddig. In een gesprek met Trouw licht Möring de dubbelzinnigheid van 'nu is altijd' zo toe:

'Je moet er verschillende dingen in zien. Enerzijds het boeddhistische gevoel dat wat was, is en komt, met elkaar verbonden is. Anderzijds de zwarte kant daarvan: dat het allemaal geen zak uitmaakt. De ontkenning dat het later beter wordt. Het blijft juist altijd hetzelfde. Nu is altijd. IJdelheid der ijdelheden. Ja, er zit heel wat uit Prediker in dit boek.'

Voor Dis putte Möring veel uit de Statenvertaling. 'Dat is zo’n mooie taal. Of je nou gelovig bent of niet. Ik ben niet gelovig, en als ik het was zou ik moeite doen om het niet te zijn. Ik vertik het! Ik heb een groot probleem met het Opperwezen. Maar de verhalen in de bijbel zijn prachtig. Het zijn de verhalen waarmee wij onszelf vertellen. Zoveel anders dan David zijn wij niet. We zijn allemaal grillige, feilbare mensen met slechte gedachten. Het Simeonslied over de verlossing en het loslaten van het leven, staat er ook in. Ja, er zit verdomd veel bijbel in dit boek. Want ik geloof het niet, maar ik voel het wel. Die existentiële twijfel hebben we allemaal.'

De tocht van Jakob Noach en de marskramer door de hel van Assen begint als volgt (p. 189-192):

'En wat, mijnheer de Jood van Assen, zijn we hier aan het doen?'
'Vragen. Vragen,' zei de marskramer. 'We zijn hier, omdat het hier is begonnen.'
'Wat is hier begonnen?'
'Eigenlijk alles,' zei de Jood van Assen.
Noach zuchtte zo diep dat zijn metgezel er van leek te schrikken.
'Ik ben de man,' begon de marskramer te reciteren, 'ik ben de man die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.'
'Oh mijn god! Kom mij niet met Klaagliederen drie aan, Jood van Assen. Bij iedereen, maar niet bij mij.'
De marskramer mompelde iets.
'Nee!' riep Noach. 'Ik zeg niet dat ik het alleenrecht heb op Klaagliederen drie, of een of twee, of vier of vijf. Integendeel. Ik zeg: bij mij werkt het niet.'
De marskramer boog zijn hoofd.
'Wat is hier begonnen?'
'Het is een lang verhaal,' zei de marskramer.
(...)
'Jood van Assen, besta jij echt of ...'
Het mannetje glimlachte. 'Oh ja. In het hier en het nu en het straks en het toen.' Een frons rimpelde over zijn gezicht. 'Hoewel ik niet zo goed weet of dit straks is of toen. Of misschien wel nu.'
(...)
'Kom, Jakob Noach,' zei hij. 'Laten we aan onze tocht beginnen. Er is nog veel te doen.'

Bibliografische referenties

Marcel Möring, Dis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2006

www.dis.nu

Sandra Kooke, 'Ik heb mijn grote boek geschreven', gesprek met Marcel Möring in Trouw, 30 november 2006

Heeft betrekking op:

Klaagliederen 3:1-6