Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Mark Boog - Het lot valt altijd op Jona

Dat heeft hij weer, dacht Sandra. Een doodgewone koortslip - vervelend, zou je denken, meer niet. (...) Elk griepje houdt hem weken bezig, elke verkoudheid loopt uit op bronchitis... Het is altijd wat, en altijd het ergste. Als hij van zijn fiets valt, heeft hij geen blauwe plek maar breekt hij zijn pols op twee plaatsen. Hoe kan dat toch steeds? Waarom altijd hij? (p. 57)

Dit citaat uit Het lot valt altijd op Jona (2011) van Mark Boog geeft de betekenis van de uitdrukking 'Het lot valt altijd op Jona(s)'Het lot valt altijd op Jonas exact weer. De roman vertelt het verhaal van een ouderpaar, Sandra en Daan, waarvan het zoontje Jonas (7) van het ene moment op het andere in het ziekenhuis belandt. De ouders moeten machteloos toezien hoe een onbegrijpelijke, acute aandoening het leven van hun kind bedreigt. De emotionele veldslag én overlevingstocht die het dagenlange waken naast het ziekenhuisbed voor hen inhoudt, is door Boog treffend in beeld gebracht.

Niet alleen de titel van de roman en de naam Jonas verwijzen naar het bijbelboek. Boog laat de vier delen van zijn boek alle voorafgaan door een zin uit Jona 1-2, in de Statenvertaling. Zo draagt het derde deel als motto: 'Toen zeiden zij tot hem: Verklaar ons nu, om wiens wil ons dit kwaad overkomt' (Jona 1:8). Natuurlijk is dit ook een vraag die Jonas' ouders zich onder het eindeloze wachten stellen: waarom gebeurt dit?

Wie heeft dit op zijn geweten, dacht Sandra. Wie? Wiens verschrikkelijke wil wordt hier uitgevoerd en waarom? Hebben we iets misdaan? Of is hij uitverkoren en is dit zijn beproeving? Volgt hierna een beloning?
'Pff,' siste ze, uitdagend en misprijzend tegelijk. (p. 227)

De vraag bleef: wat heeft het arme kind misdaan? Is het hoogmoedig geweest, oneerbiedig, schaamteloos? Wordt het, meer Bijbels dan sprookjesachtig, gestraft voor de zonden van zijn voorvaderen? Heb ik hier schuld aan en is Jonas maar het toevallige slachtoffer? Sandra wist het niet. Wat ze wel wist was dat er sprake was van groot onrecht. Ze was naast verdrietig, bang en bezorgd, het logische drietal, vooral ook bóós. Wie hier verantwoordelijk voor was kon zich maar beter bergen. (p. 243)

Behalve de al genoemde verwijzingen naar het bijbelboek ontleent de roman ook zijn beeldspraak veelvuldig aan Jona 1 en 2. Soms is het ziekenhuis een schip op zee; het stormt en Jonas is vele uren in diepe slaap. Op enig moment bevindt Jonas zich, in Sandra's beleving, in 'de diepten'. De gordijnen rond het bed zijn wuivend zeewier. Het ziekenhuis lijkt zinkende, nergens land in zicht. Hoe komt Jonas veilig aan land?
Een andere Jona-metafoor is nog duidelijker aanwezig. De eerste alinea van het boek begint zo (p. 9):

Sandra zuchtte voor ze de draaideur in stapte. Het kinderziekenhuis leek haar op een of andere manier te leven. Een dreigende, immense gestalte die haar net wat te gretig verwelkomde - opslokte, eigenlijk.

Het ziekenhuis als monster, als beest. Jonas en zijn ouders bevinden zich in de buik van het beest. Als Jonas naar de intensivecareafdeling is gebracht, lezen we (p. 96):

Alsof ze dieper in de krochten van het ziekenhuis verzeild waren geraakt, alsof ze van de eerste maag, niet eens heel ver achter de tanden, die het voorwerk had gedaan, halfverteerd waren doorgestuurd, een gedwongen reis door het bochtige, schijnbaar eindeloze darmkanaal, tot aan de verstgelegen maag, diep en donker, waar het karwei zou worden afgemaakt.
Het was gemakkelijk om in het zachte zoemen van de monitor naast het bed het ruisen van bloed te horen, in het tikken van het apparaat dat het gestaag doorlopende infuus bestuurde een verre, trage hartslag (...)

Het laatste deel van Jonas' verblijf in het ziekenhuis speelt zich - niet toevallig - op afdeling Walvis af. Net als in het bijbelverhaal is de functie van de 'walvis' niet eenduidig: brengt hij onheil of redding? Lange tijd overheerst de dreiging, maar aan het eind kost het Sandra moeite om het veilige binnenste van het beest te verlaten.

Bibliografische referenties

Mark Boog, Het lot valt altijd op Jona, Amsterdam: Cossee, 2011

www.markboog.nl

Heeft betrekking op:

Jona 1:7