Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Marnix Gijsen - Het huis

De Vlaamse schrijver Marnix Gijsen gaf zijn verzamelde gedichten uit de periode 1919-1947, gebundeld onder de titel Het huis, een motto mee dat hij ontleende aan het boek Ruth:

Heet mij niet Noëmi (dat is schoon)
maar noemt mij Mara (dat is bitter)

Men zou daaruit misschien kunnen afleiden dat Gijsen niet onverdeeld gelukkig was met zijn vroege poëzie. Feit is in elk geval dat hij de gedichten die hij tussen 1927 en 1939 schreef, vernietigd heeft. In zijn Amerikaanse jaren, vanaf 1940, nam hij afstand van zijn katholieke overtuiging. De laatste gedichten in de verzamelbundel, 'Vier gedichten van Joachim', stammen uit dezelfde tijd als Het boek van Joachim van BabylonMarnix Gijsen – Joachim van Babylon (1947); hierin komt een fundamenteel andere levensvisie tot uitdrukking dan in zijn vroege poëzie.

In de vroegere, veelal religieus gekleurde gedichten vinden we vaak bijbelse elementen, in motto's en vooral in vergelijkingen. Enkele losse voorbeelden:

Leuven is niet de oude gier die het bloed
der jonge martelaren drinkt,
wijl Salomé verstrooid een heimelijk liedje zingt.
(uit: 'Leuven')

Maar hij schouwt hen aan
met de droefheid van Job op zijn vaalt.
(uit: 'De mislezer')

Omdat ik mijn kneukels aan bloed sloeg
van nacht,
op den rand van mijn bed,
vechtend lijk Jacob met den engel
met dit weerspannig vleesch,
(...)
(uit: 'Het blij verbond')

In dezelfde afdeling waaruit deze voorbeelden zijn genomen, Kronijk, vinden we ook het volgende gedicht, volgens Paul van Ostaijen het beste uit de hele bundel:

De archeologische vondst

Jacquemijne Bolats werd te Leuven begraven,
in 1520,
naast haar man en haar kind.
Ze had bei met dezelfde liefde bemind,
al haar dagen.

Ik heb haar zerksteen gevonden,
op een regennoen,
onder wat mos en veel gele blaren.
Kinderen spelen er rond,
en bij zomernacht paren geliefden
hier, hun bevenden mond.

Zij werd in Antwerpen geboren,
- o mijn sterke stad, -
wie voerde haar de Brabantsche heuvelen over?
Daar vond zij een man, daar won zij een kind,
en de rust, onder mos en wat herfstig loover.

Want, toen God zag
hoe volmaakt deze drie stonden
in het licht van een rustig geluk,
het jublende kind,
en dees vredige beiden,
toen was hij als David, die weenend zijn zoon
overwint.
Hij kon deze kalme zielen niet scheiden
en brak alle drie hunne hulzen stuk.

Zie, zoo lange tijd is aan elk mensch gegeven,
dat zijn woord rijpe tot lied
voor Gods aangezicht.
Hoe vaak het hernomen, geaarzeld, getracht,
tot duidlijk en klaar
klinke het rhythme dat door elk leven vleit;
God luistert en wacht,
de zanger verdwijnt,
maar het zingen ruischt uit in Gods wezenheid.

Bibliografische referenties

Marnix Gijsen, Het huis. Verzen waarin opgenomen De loflitanie van Sint Franciscus van Assisi en Vier gedichten van Joachim. 's-Gravenhage: A.A.M. Stols, 1952 (4e dr.).

Paul van Ostaijen, 'Marnix Gijsen' in: Verzameld werk. Deel 4: proza. Besprekingen en beschouwingen (ed. Gerrit Borgers). Amsterdam: Bert Bakker, 1979 (3e dr.), p. 380-387. [Deze tekst is ook in de DBNL te vinden.]

Heeft betrekking op:

Ruth 1:20, Genesis 32:25, Marcus 6:22-25, Job 2:8, 2 Samuël 19:1