Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Marnix Gijsen – Joachim van Babylon

De roman Joachim van Babylon, die Marnix Gijsen (pseudoniem van Jan Albert Goris) in 1946 in Manhattan schreef, markeerde voor hem een dubbel afscheid: van het katholieke geloof en van zijn eigen mislukte huwelijk. In het jaar waarin hij dit boek schreef, lagen zulke zaken nog zeer gevoelig.

Joachim, de hoofdpersoon, begint zijn levensverhaal op de dag van de begrafenis van zijn vrouw Suzanna. Hij vertelt in de ik-vorm hoe hij aanvankelijk meent in Suzanna zijn levensvervulling te vinden. Al snel blijkt dat zij zich niet echt aan hem kan overgeven, dat zij nooit naar hem verlangt, hem nooit begeert. Zij tolereert hem, ontvangt hem als een moeder, maar kan zich niet verliezen in de liefde (p. 54/60):

Zij was mij ter wille. Zij ontving mij, zij ontfermde zich over mij, maar nam mij nooit. Het was of ik met de schoonheid zelve leefde, niet met een vrouw. (...) Opeens begreep ik dat ik deze koele volmaaktheid, deze vrouw die zich geven kon en zichzelf blijven, dat ik Suzanna, de dochter van Helcias, dat ik Suzanna, wier naam ik had geroepen boven het lawaai der golven en in de diepte der bosschen lijk een kreet om hulp, dat ik Suzanna, mijn huisvrouw, die naakt en warm naast mij lag, dat ik Suzanna haatte.

Het echtpaar woont dan nog in Israël. Joachim gaat op reis om de situatie te ontvluchten en komt in Babylon terecht. Daar luistert hij naar de gesprekken tussen de rechtsgeleerden Nabu en Akkad:

Over de bestemming van den mensch, over het geloof en de goden spraken zij zelden. Ik keurde dit goed. Het doel en het einde van den mensch te doorgronden had ik lang opgegeven. Ik had gedaan zooals het de jonge dichter Daniël, de parel van Israël in Babylonië, in één van zijn vroege en verloochende gedichten heeft aangeraden: ‘Omhelzen wij Absurditeit, de groote concubine ...’ (p. 84)

Joachim koopt een huis in Babylon en laat Suzanna overkomen. Ook Daniël komt er regelmatig op bezoek. Dan vindt de gebeurtenis in de tuin plaats, met Nabu en Akkad in een treurige hoofdrol. Maar Gijsen bedeelt ook Daniël een rol toe bij de scène in de tuin:

‘Ja,’ zei Suzanna aarzelend, ‘Daniël was daar. (...) Hij heeft mij niet naakt gezien, noch heeft hij mij aangeraakt, maar hij bekeek mij star, kwam naderbij, en toen ik het hoofd ophief naar hem en toen mijn haren losvielen over mijn schouders, is hij plots den tuin uitgeloopen. Dat is alles.’ (p. 109)

De rest van het verhaal volgt vanaf hier het bijbelverhaal. Suzanna ontsnapt aan de dood en staat voortaan te boek als de deugd in eigen persoon. Maar hartstocht heeft de deugdzame Suzanna niet gekend. Daardoor heeft ze het huwelijk voor Joachim bloedeloos gemaakt.
Joachim maakt ten slotte de balans op van zijn leven. Hij heeft alles beproefd, maar kan de zin van het leven niet inzien. Er is moed voor nodig dit te aanvaarden en het leven uit te leven. Joachim raadt de lezer (p. 175):

En voor ’t overige, zoek het kostbaarste kruid dat groeit op deze aarde: moed. Waar gij het ook vinden moogt, pluk het. Vaarwel.

Bibliografische referenties

Marnix Gijsen, Het boek van Joachim van Babylon, hetwelk bevat het oprecht verhaal van zijn leven en dat van zijn beroemde huisvrouw Suzanna, kort geleden ontdekt in de opgravingen van Nat-tah-Nam en voor het eerst zorgvuldig vertaald en uitgegeven door een liefhebber der oudheid. Amsterdam: Meulenhoff, 1974 (31e druk).

Heeft betrekking op:

Toevoegingen aan Daniël B:1-64