Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Marten Toonder - De zelfkant

Marten Toonder verwijst in zijn verhalen over heer Bommel en Tom Poes regelmatig naar de bijbel. Dat is ook het geval in 'De zelfkant', dat onder andere verscheen in de bundel Soms verstout ik mij (1985). In dit verhaal kunnen 'oplettende lezertjes' de geschiedenis van Job herkennen.

Aan het begin van het verhaal stapt de boze tovenaar Hocus Pas een boomkring binnen, ondanks waarschuwingen om dit niet te doen. Hierdoor raakt zijn geweten van hem afgesplitst. Het blijkt een klein vrouwtje te zijn, dat Alma heet. Hocus Pas probeert haar met magische bezweringen te laten verdwijnen, maar dat lukt hem niet.

Marten Toonder
Hocus Pas sluit een weddenschap met Alma
‘Schei nu maar uit met je hocus pocus,’ zei Alma, die zich een beetje begon te vervelen. ‘Tovenaars als jij kunnen alleen met zwart werken, maar over wit hebben ze geen macht. Wit is sterker dan zwart, want donker is de schaduw van licht, ook al denkt zwart dat wit een schaduw is. We leven nu eenmaal in moeilijke tijden.’
‘Onzinnige gewetenspraatjes!’ snauwde de grijsaard. ‘De wereld is zwart en wit heeft niets te betekenen. Iedereen is het liefste slecht, en nu ik zelf mijn gewetentje kwijt ben, heb ik iedereen in mijn macht. Ik kan het bewijzen, met de eerste de beste die hier langskomt.’
‘Aangenomen,’ gaf het vrouwtje toe. ‘We zullen wedden. Als je de eerste voorbijganger slecht kunt maken, zal ik je verder met rust laten. Maar dat moet dan wel gebeuren vóórdat de maan nieuw is. En als het je niet lukt, dan kruip ik weer tussen je ribben, zodat je opnieuw mijn schaduw wordt.’

In deze afspraak herkennen we de overeenkomst tussen God en Satan (Job 1:8-12). De eerste voorbijganger is heer Bommel; hij is in dit verhaal dus het onwetende en onschuldige slachtoffer van de weddenschap tussen Pas en Alma. Net als Satan maakt Hocus Pas voor het bereiken van zijn doel gebruik van zowel beroving door derden als de weerselementen. In beide verhalen slaat bijvoorbeeld de bliksem in (vgl. Job 1:16): heer Bommel moet toezien hoe daarmee de Oude Schicht (zijn auto) in de as wordt gelegd, waarna hij door de schurken Bul Super en Hiep Hieper van zijn goedgevulde portefeuille wordt beroofd. Maar als Bommel even later Hieper voor de politie verbergt, concluderen Hocus Pas en Alma dat hij nog niet slecht geworden is. Pas roept uit:

‘Bij Zazel! Weet je wat hij zegt? Geld speelt geen rol, zegt hij. Ik zal hem leren welke rol geld speelt, hèhèhè. Met het geld heb ik het kwaad in de wereld gebracht; en het kwaad wint altijd.’

En dus zorgt Hocus Pas dat heer Bommel hierna al zijn bezittingen kwijtraakt: zijn geld en de inboedel van zijn kasteel Bommelstein, dat vervolgens ook nog verbeurdverklaard dreigt te worden. Heer Bommel is zwaar aangeslagen, maar toch vooral door het verlies van zijn auto en zijn bediende Joost, die getraumatiseerd het kasteel verlaat. Op zeker moment zegt Bommel over zichzelf in zijn lege woning, dat hij daar zit ‘als Job op de mestvaalt’. Door het gebruik van deze bekende zegswijze verwijst hij naar de even berooide situatie van de bijbelse Job (zie Job 2:8).

Marten Toonder
Bommel als Job op de mestvaalt

Maar heer Bommel wordt niet slecht. Als hij verzeild raakt in een schandaal met giftig fabrieksafval (waarbij de bevolking van Rommeldam zich tegen hem keert) handelt hij vooral uit domheid, niet uit kwaadaardigheid. Als hij uiteindelijk met gevaar voor eigen leven de natuur van de vergiftiging redt, concludeert Alma: ‘Bommel heeft zichzelf opgeofferd! (...) Ik heb gewonnen.’ Hierna verdwijnt ze in de schaduw van Hocus Pas. Tom Poes, die hiervan getuige is, is verontwaardigd dat heer Ollie zoveel ellende heeft moeten meemaken vanwege een ‘misselijke weddenschap’; hij dwingt de tovenaar te beloven al zijn streken ongedaan te maken. Gekweld door zijn geweten bliksemt die de Oude Schicht weer terug. Als heer Bommel weer thuis is, blijkt dat de verzekering verder alle materiële verlies dekt.

Behalve overeenkomsten tussen het Job- en het Bommelverhaal zijn er natuurlijk ook talloze verschillen. In tegenstelling tot Job komt Bommel er uiteindelijk wél achter wat de oorzaak van zijn rampspoed was. En dat terwijl voor hem de vraag naar het waarom van dit alles helemaal geen rol lijkt te spelen, waar dit in de dialogen in het boek Job nu juist een van de belangrijkste onderwerpen was.

Het bijbelboek Job heeft Toonder niet alleen een interessant verhaalgegeven geleverd, de auteur heeft het verhaal in zekere zin ook gebruikt om daarin zijn visie op het bijbelboek en op de verhouding tussen God en de mens te verwerken. Als Tom Poes de overeenkomst tussen Hocus Pas en Alma een ‘misselijke weddenschap’ noemt, kan dit ook worden gelezen als een soort commentaar op de geschiedenis van Job. Toonder maakte uit het bijbelboek op dat God en Satan één persoon zijn. Oftewel: God heeft een goede én een kwade kant in zich, zoals dat volgens Toonder ook voor ieder mens geldt. Het een verliest zonder het ander zijn betekenis, aldus Toonder. Ook in ‘De zelfkant’ zijn goed en kwaad aanwezig in één persoon: Hocus Pas. Ook de wijsgeer Wikker die in dit verhaal voorkomt, stelt dat iedere persoon zowel goede als slechte kanten in zijn persoonlijkheid heeft.

Er zijn overigens nog wat kleinere bijbelverwijzingen in het verhaal te vinden. Hocus Pas heeft bijvoorbeeld de gewoonte om namen aan te roepen van een soort boze geesten. Deze heten bijvoorbeeld Iod en Zazel, maar er is in dit verhaal ook een Azazel bij. Deze naam is afkomstig uit Leviticus 16: het is daar de naam van de woestijndemon waar de ‘zondebok’ voor bestemd was, die beladen met de zonden van het volk de woestijn in werd gestuurd. En de herhaalde uitspraak van Hocus Pas dat hij met het geld het kwaad in de wereld gebracht heeft, doet denken aan de bijbelse stelling dat geldzucht ‘de wortel van alle kwaad’ is (1 Timoteüs 6:10).

Bibliografische referenties

Marten Toonder, 'De zelfkant' in Soms verstout ik mij. Amsterdam: De Bezige Bij, 1985, p. 9-111.

Klaas Driebergen, Bommel en Bijbel. Bijbel en christendom in de verhalen van Marten Toonder. Soesterberg: Aspekt, 2012.

Heeft betrekking op:

Job 1:8-12, Job 2:8, Leviticus 16:8-10, 1 Timoteüs 6:10