Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Martinus Nijhoff - Awater

In 1934 publiceerde Martinus Nijhoff (1894-1953) zijn grote gedicht Awater . Het is een in verschillende opzichten knap vers, onder meer door de bijzondere rijmvorm. Geïnspireerd door het middeleeuwse Chanson de Roland koos Nijhoff als rijmvorm in Awater voor assonantie of klinkerrijm. Het gedicht is opgebouwd uit acht episodes, en elke versregel uit een episode eindigt met een rijmvariant op dezelfde klinkercombinatie: achtereenvolgens ee, aa, oo, ei, oe, ie, au en uu. Dat zorgt vooral als je de moeite neemt het vers hardop te lezen voor een bijzonder effect; elke episode krijgt zo zijn eigen 'gemoedsgesteldheid'.

De eerste drie episodes zijn bovendien doorspekt met verwijzingen naar bijbelse motieven en gebeurtenissen. Awater opent met een directe en onmiskenbare verwijzing naar de eerste verzen van de bijbel.

Wees hier aanwezig, allereerste geest,
Uw goede oog moet zich dit werk toe keren,
het is gelijk de wereld woest en leeg.
Het wil niet, als geheel een vorige eeuw,
puinhopen zien en zingen van mooi weer,
want zingen is slechts hartstocht van een zweer
en nimmer is, wat ook, ooit puin geweest.
Een eerste steen ligt nauwelijks terneer.
Elk woord vernieuwt de stilte die het breekt.
Al wat geschiedt geschiedt nog voor het eerst.

De toon is gezet. De dichter neemt ons mee terug vóór de zondeval en de aarde krijgt van hem een tweede kans: 'Al wat geschiedt geschiedt nog voor het eerst.' Noach en Jona mogen opnieuw bouwen en preken, maar niet onder de dreiging van de naderende rampspoed die hun handelen in Genesis 6:22 en Jona 3:3 stempelt.

Ik heb een man gezien. Hij heeft geen naam.
Geef hem ons aller vóórnaam bij elkaar.
Hij is de zoon van een vrouw en een vader.
Zodra de rode zon is opgegaan
gaat hij de stad in. Hij komt langs mijn raam.
De avond blauwt, hij komt er weer vandaan.
Hij werkt op een kantoor, heet daar Awater.
Zie hem. Hij is bekleed met kemelhaar
geregen door een naald. Zijn lijf is mager
Het is woestijn waar hij gebaren maakt.
Hij heeft iets van een monnik, een soldaat,
maar er wordt niet gebeden, niet geblazen,
wanneer men op kantoor het boek opslaat.
Men zit als in een tempel aan een tafel.
Men schrijft Arabisch schrift met Italiaans.
In cijfers, dwarrelend als as omlaag,
rijzen kolommen van orakeltaal.
Het wordt stil, het wordt warmer in de zaal.
Steeds zilter waait dun ratelend metaal.
De schrijfmachine mijmert gekkepraat.
Lees maar, er staat niet wat er staat. Er staat:
'O moeder, nooit zult gij de bontjas dragen
waarvoor elk dubbeltje werd omgedraaid,
en niet meer ga ik op mijn vrije dagen
met een paar bloemen naar het hospitaal,
maar breng de rozen naar de Kerkhoflaan...'
Dit staat er, en Awater's strak gelaat
geeft roerloos zijn ontroering te verstaan.
Hoe laat is het? Awater's hoofd voelt zwaar.
De telefoon slaapt op de lessenaar.
De theekopjes worden teruggehaald.
De klok tikt, tikt, slaat, tikt tot half-zes slaat.
De groene lampen worden uitgedraaid.

We kennen nu de naam van de hoofdfiguur, Awater. Volgens het gedicht staat hij voor 'Elckerlyc', voor iedereen: 'Hij heeft geen naam. / Geef hem ons aller vóórnaam bij elkaar.' Zijn naam verwijst naar 'het begin'; de openingsletter van het alfabet in een twee-eenheid met de 'wateren van aanvang' (vs. 2) uit het bijbelse scheppingsverhaal. De beschrijving van zijn doen en laten is ontleend aan Johannes de Doper, zoals beschreven in Marcus 1:6. Opnieuw een bijbelse figuur die als waarschuwer te boek staat: 'Kom tot inkeer.' Maar Johannes is ook degene die de beloofde komst van de messias aankondigde.

Vandaag, toen ik voor 't raam de bloemen goot,
is het voornemen in mij opgekomen
Awater te gaan halen van kantoor.
Ik heb sinds mijn broer stierf geen reisgenoot.
Als men een vriend zoekt, is het doodgewoon
dat men eerst ziet of men bij hem kan horen.
Vanavond volg ik dus Awater's spoor,
ik kijk de kat, zo men zegt, uit de boom,
en morgen, gaat het goed, stel ik mij voor.
Zo sta ik bij de hoge stoep. Ik schroom.
Het slaat half-zes. De tijd wordt eindeloos.
De straat wordt door voorbijgangers doorstroomd.
In elke schaduw wordt een licht ontstoken,
makend, al dwalend, omtrekken in rook.
O broeder in den hemel, wees hier ook.
Bescherm mij, dat mijn schim geen licht vertoont.
Bewaar mij ongezien en ongehoord. --
Opeens Awater. Van een overloop
zie ik hem komen, knipperend met 't oog.
Geen sterveling, geen stad, geen avondrood
bestaat voor hem. Hij komt gesneld van boven,
Hij ziet, schijnt het, een horizon, een zoom
waaruit ononderbroken weerlicht gloort.
Het is alsof hij hoort waarvan hij droomt
en de plek ziet waar hij te vinden hoopt,
zo snelt hij langs me, en ik voel mij doorboord.
Hij loopt haastig de vestibule door.
Hij hangt een sleutel op het sleutelboord.
Een droge distel doet zich aan hem voor,
hij grijpt zijn stok, hij wandelt fluitend voort.
Hij dekt zich, ik echter ontbloot het hoofd:
Wees hier, nogmaals, gij die op hoogten woont
zo onbewoonbaar als Calvario.

Vanaf de derde episode worden de bijbelse verwijzingen schaarser en minder makkelijk te plaatsen. Het moment dat Awater zich voor het eerst aan de ik-figuur openbaart, bevat een duidelijke verwijzing naar Numeri 21:9, de geschiedenis van Mozes en de koperen slang. Is de aanwezigheid van Awater voor de ik-figuur even heilzaam als het kijken naar de koperen slang voor de door slangen gebeten Israëlieten in de woestijn? In dat geval krijgt Awater iets messiaans: hij is een heiland of 'heelmaker'.

De straten zijn met asfalt geplaveid.
Ik merk dat de echo, die mij uitgeleide
deed door de hall met tegels, buiten zwijgt.
De stad verleent de voet geluidloosheid.
Een rij auto's glijdt karavaansgewijs
met zacht gekraak van leer aan ons voorbij.
Awater is mij reeds vooruitgeijld.
Ja, ja, 't schijnt waar te zijn, hij wil op reis.
Hij staat stil voor het modemagazijn.
Ik zie dat hij naar een gezelschap kijkt
van poppen die met plaids en verrekijkers
legeren aan de oever van de Nijl
gelijk uit pyramide en palmboom blijkt.

De autokaravaan doet denken aan een begrafenisstoet, maar het gekozen woord lijkt ook een verwijzing naar de kamelenkaravaan zoals die in de geschiedenis van Jozef beschreven staat (Genesis 37:25). Beide indrukken wordt versterkt als zeven verzen later expliciet verwezen wordt naar piramides en de oever van de Nijl, de plek waar Mozes in zijn biezen mandje aan de dood ontrukt werd, en waar hij later water in bloed veranderde.

Wie zich door deze eerste episodes van Awater aangesproken voelt, zal bij het lezen van het volledige gedicht (online beschikbaar via de dbnl) zonder twijfel nog meer bijbelse verwijzingen aantreffen die bijdragen aan de interpretatie van dit boeiende werk.

Bibliografische referenties

Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten. Amsterdam: Prometheus/Bert Bakker, 1995, p. 235.

Kees Fens, 'Awater, leven en leer'. In: Merlijn 4 (1966) 5, p. 361-382.

Heeft betrekking op:

Numeri 21:9, Genesis 1:2, Genesis 6:22, Jona 3:3, Marcus 1:6