Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

Maten en gewichten in het Oude Testament

Algemeen

Het stelsel van maten en gewichten in het Oude Testament is niet eenduidig. Er is invloed van stelsels uit Mesopotamië en Egypte. In de periode van voor de ballingschap is er sprake van tientallige of decimale rekensystemen. Na de ballingschap zijn de rekensystemen voornamelijk sexagesimaal en rekenen dus met veelvouden van zes. Maar soms lopen de systemen ook door elkaar. Metrische systemen vertoonden bovendien plaatselijke verschillen. Het is dus onmogelijk vast te stellen hoeveel liter een hin precies bevatte of hoeveel een efa precies woog. De exacte maat hangt af van de plaats waar en de tijd waarin ermee werd gemeten.
Toch valt er wel iets te zeggen over de onderlinge relatie tussen de maten en gewichten.

Lengtematen

De maateenheid voor het meten van lengte in het Oude Testament is de vingerbreedte. Vier vingerbreedten is een handpalmbreedte, drie handpalmbreedten is een halve el, en twee halve el is natuurlijk een el. Deze el is ongeveer gelijk aan de gemiddelde onderarmslengte van een volwassen mens. Men neemt algemeen aan dat de el 47-53 cm mat. De el komt vaak voor in de beschrijving van de tempelbouw in 1 Koningen 7. Er bestaat ook een Babylonische el, die wat langer is. In Ezechiël 40:5 is sprake van ‘een el en een handbreedte’. Deze ‘el en een handbreedte’ is waarschijnlijk de maat van de Babylonische el van na de ballingschap.

Inhoudsmaten

De ons bekende namen van inhoudsmaten zijn kor, chomer (in de NBV vertaald met ‘ezelslast’), efa, bat, sea (in de NBV ‘schepel’), hin, kav, omer en log. De inhoudsmaten vertonen een decimaal rekensysteem van voor de ballingschap en een sexagesimaal rekensysteem van na de ballingschap, beïnvloed door het Babylonische systeem.

Er bestaat onderscheid tussen het systeem voor droge stoffen en dat voor vloeistoffen. Het decimale systeem van inhoudsmaten voor droge stoffen komt in Exodus 16:36 en Ezechiël 45:11 voor, en natuurlijk op vele andere plaatsen. Tien omer is daar één efa, en tien efa één chomer of ezelslast. De chomer zelf was oorspronkelijk het gewicht dat een ezel kan dragen. Als we ervan uitgaan dat een ezel maximaal 90 kilo kan dragen, kan de chomer ruwweg 100 -200 liter bevatten. Het grote verschil in maat hangt samen met het soortelijk gewicht van een bepaalde last. Bijgevolg omvat de efa dan 10-20 liter en de omer 1-2 liter.

Sommige tekstplaatsen bevestigen de kleinere inhoud van de chomer. In Exodus 16:13-36 bevat een omer een dagelijkse portie manna voor één persoon. Een mens heeft ongeveer een liter graan nodig per dag om te overleven, en dat maakt de omer tot de maat van een liter, en de chomer dus van 100 liter.

In Ezechiël 45:13 en 46:14 komt het sexagesimale stelsel naar voren. Een efa bevat daar zes delen. Het best bekende systeem van na de ballingschap is een variant op het laat-Babylonische rekensysteem: zes kav is één sea of schepel, drie sea is een efa of bat, en tien efa of bat is een kor of chomer, en die is dan weer 360 liter. In dit systeem is de chomer of ezelslast dus beduidend groter dan in het systeem van voor de ballingschap.

De exacte inhoud voor vloeistofmaten varieert net zoals bij de maten voor droge stoffen, maar het sexagesimale stelsel overheerst. Waarschijnlijk zag het systeem van voor de ballingschap eruit zoals het systeem van na de ballingschap. In dit systeem is twaalf log (een halve liter) een hin of zes liter, en vier hin een bat, 24 liter dus.

Gewichten

De ons bekende namen van gewichten zijn: talent, mine, sjekel, beka en gera. Er is bewijs voor het bestaan van zowel een sexagesimaal rekensysteem als van een decimaal rekensysteem. Het sexagesimale systeem is waarneembaar bij de hogere gewichten, het decimale bij de kleinere gewichten.

Oorspronkelijk was een talent waarschijnlijk zo zwaar als het gewicht dat een mens kan dragen. Maar dat verschilt natuurlijk al naar gelang de omstandigheden. Men heeft tot nu toe algemeen aangenomen dat één talent zestig mina omvatte. Volgens Ezechiël 45:12 weegt de mine zestig sjekel. Het staat vast dat een talent in de late bronstijd ongeveer 28-30 kilo woog. In Exodus 38:25-26, een tekst uit de late bronstijd, weegt één talent 3000 sjekel. Dat betekent dat een sjekel in deze berekening 10 gram weegt.

De sjekel staat centraal in het stelsel van gewichten. Er is wijdverbreide getuigenis van het rekenen met de sjekel in een decimaal stelsel. Volgens dezelfde tekst uit Exodus is twee beka één sjekel. Uit Exodus 30:13 en Leviticus 27:25, onder andere, blijkt dat er twintig gera in een sjekel pasten. 2 Samuël 14:26 is heel duidelijk: ‘... woog dat wel tweehonderd sjekel volgens het koninklijk ijkgewicht’; zie bijv. ook Genesis 20:16, Exodus 30:23-24 en Numeri 3:50.
Op archeologische gronden is bewezen dat er minstens twee verschillende normgewichten voor de sjekel hebben bestaan. Het ene woog 9-10 gram, het andere 11-13 gram.

Bibliografische referenties

‘Weights and Measures’, in: The Anchor Bible Dictionary, ed. David Noel Freedman. Doubleday, 1992, dl. 6, p. 897-908.

Heeft betrekking op:

Exodus 16:16, Genesis 20:16, 1 Koningen 6:2