Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Nescio - De uitvreter

In het literaire tijdschrift De Gids verscheen in januari 1911 een verhaal van een schrijver die zich Nescio noemde (Latijn voor 'ik weet het niet'). De eerste zin behoort inmiddels tot de verzameling literaire openingszinnen die menigeen uit het hoofd kent: "Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter."

Deze 'uitvreter' - iemand die zoveel mogelijk op kosten van anderen leeft - heet Japi, en houdt er een levensfilosofie op na die zo weggelopen lijkt uit het bijbelboek Prediker. Dat blijkt vooral als hij aan het einde van het verhaal terugkijkt op zijn levensgeschiedenis (die we overigens vernemen uit de mond van ik-figuur Koekebakker, die 'i' zegt als i 'hij' bedoelt).

"Te sappel hatti zich gemaakt. Socialist had i willen worden. Voor z'n brood hatti gewerkt, voortgejaagd was i, voortgejaagd en gedrukt door menschen en de noodzakelijkheid zooals al die anderen. Nachten hatti gewerkt: om één, twee uur was i in Amsterdam van kantoor thuisgekomen en daarna hatti opgezeten, gepiekerd, gepend, heele romans hatti geschreven en de paperassen verbrand. Wat kon i doen? Wat bereikten ze met hun allen? Te sappel hatti zich gemaakt, gloeiende speechen, woeste artikelen hatti gefantaseerd, terwijl i op kantoor zat en werkte voor den handel van zijn baas, hard werkte en iedereen zich verwonderde over de massa's werk, die i verstouwde. De wereld was blijven draaien, draaide precies zoals altijd, zou wel blijven draaien zonder hem. Te sappel had i zich gemaakt. Hij was nu wijzer. Hij trok er zijn handen van af. Er waren kooplui genoeg en schrijvers en praters en lui die zich te sappel maakten, meer dan genoeg. En altijd zaten ze in angst ergens voor en hadden verdriet ergens over. Altijd waren ze bang ergens te laat te komen of van iemand een standje te krijgen, of zij kwamen niet uit met hun tractement, of hun plee was verstopt, of ze hadden een zweertje, of hun Zondagsche pak begon te slijten, of de huur moest betaald worden; dit konden ze niet doen hierom en dàt moesten ze laten daarom. In zijn jongen tijd was i nog zoo dom niet geweest. Een sigaartje rooken, een beetje kletsen, wat rondkoekeloeren, je verheugen in het zonnetje als 't er was en in den regen als 't er niet was, en niet denken aan den dag van morgen, niets willen worden, niets te verlangen dan af en toe wat mooi weer. (...) Dood zijn de tobbers gegaan bij honderden en honderden millioenen. Wie kent ze nog? En hoeveel zullen er sterven na dezen? Ze tobben maar, tot God ze wegraapt. En je zou denken: God zou ze een lol doen als i ze plotseling te grazen nam. Maar God weet beter dan jij of ik. Tobben willen ze, blijven voorttobben. En onderwijl gaat de zon op en onder, de rivier stroomt naar 't Westen en blijft stroomen tot daar ook een eind aan komt." (39/40)

Bibliografische referenties

Nescio, De uitvreter, Titaantjes, Dichtertje, Mene Tekel. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 24e dr. 1986.

Heeft betrekking op:

Prediker 1:2-11