Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Nicolaas Beets - De moerbeitoppen ruischten

‘De moerbeitoppen ruischten’;
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
En wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;

Sprak tot mij in den stillen,
Den stillen nacht;
Gedachten, die mij kwelden,
Vervolgden en ontstelden,
Verdreef hij zacht.

Hij liet zijn vrede dalen
Op ziel en zin;
'k Voelde in zijn vaderarmen
Mij koestren en beschermen
En sluimerde in.

Den morgen, die mij wekte
Begroette ik blij.
Ik had zoo zacht geslapen
En Gij, mijn Schild en Wapen,
Waart nog nabij.

Dit gedicht van dominee-dichter Nicolaas Beets is een klassieker. Het verwijst enerzijds naar de 'Godservaring' van Elia in 'het suysen van eene sachte stilte' (1 Kon. 19:12, Statenvertaling). Het 'geruysch ... in de toppen der moerbesijen boomen' is evenwel afkomstig uit een andersoortige bijbelpassage: 2 Sam. 5:24.
Het beeld van God als 'schild en wapen' in de slotstrofe heeft Beets overigens ook ontleend aan de bijbel: Psalm 35:2.

Jan Greshoff bespreekt dit gedicht in een hoofdstuk 'persoonlijke ervaringen met poëzie' in Legkaart (1948). Nadat hij eerst de betekenis van Beets' meesterwerk Camera obscura heeft gerelativeerd ('het is een mager boek, zowel wat de menselijke inhoud als de gedachtenwereld betreft, terwijl de schrijfwijze mij te gewild en te moeizaam is') en heeft opgemerkt dat de dichter Beets maar heel weinig voorstelt, schrijft hij:

Diezelfde statige onnatuurlijke rederijker Beets heeft tenminste één gedicht geschreven, dat tot de innigste en liefelijkste van onze taal behoort. Ik ga uit van de overtuiging dat een dichter de waarde van zijn beste uiting vertegenwoordigt. Wanneer iemand een goed gedicht schrijft, al is het er maar één, dan blijkt uit dat blote feit al, dat hij daartoe in staat was. Men kan alleen betreuren dat het hem zo zelden gelukte zijn hoogste stijging te bereiken. Ik houd dus van Beets, die ik overigens een niet zeer aantrekkelijke menselijke en letterkundige verschijning vind om het gedicht dat hierboven aangehaald is en dat men te weinig kent.
De waarde ervan ligt, voor mij in de middeleeuwse eenvoud en een vorm van vroomheid, welke men in nieuwere tijden, en zeker in de negentiende eeuw, slechts zelden aantreft. Die vroomheid uit zich niet in verzekeringen, noch in een rechtzinnige woordkeus; doch gelijk dat in alle goede poëzie het geval is, in een geheimzinnige, maar onmiskenbare overtuiging, achter de zinnen, onder de woorden. Men denkt bij een werkelijk ontroerend gedicht dikwijls en zo is het ook hier: 'het kán niet simpeler'. En ik voeg er aan toe: 'het kan niet ánders' – Wij hebben dus hier twee poëtische factoren: de doorzichtigheid en de onherhaalbaarheid (einmaligkeit, luidt de Duitse vakterm).
Wanneer een gedicht zich tot weinige, onmiddellijk aansprekende, gegevens beperkt en toch de indruk van rijkdom geeft, staat men voor een grote moeilijkheid wanneer men zich rekenschap van de 'inhoud' wil geven. Want, en nu komen wij weer tot een der hoofdkenmerken van een waarlijk goed gedicht: de inhoud lost zich geheel op in de toon. 'Hoe' en 'waarom' worden één. Het gedicht is dus niet mooi om wát er in verkondigd wordt, noch omdat dit op een bepaalde wijze geschiedt; het maakt indruk op ons gemoed alléén door het samenvallen van twee werelden, die desondanks zichzelf en gescheiden blijven. (...)

Bibliografische referenties

Nicolaas Beets, 'De moerbeitoppen ruischten' in: Dennenaalden. Laatste dichtbundel 1892-1900. Leiden: A.W. Sijthoff, 1900.

Jan Greshoff, Legkaart (Verzameld werk dl. 4). Amsterdam: P.N. van Kampen & Zoon en Em. Querido's Uitgeversmij, 1948, p. 178-182. [Deze uitgave is ook in de DBNL te vinden.]

Heeft betrekking op:

1 Koningen 19:12, 2 Samuël 5:23-24, Psalm 35:2