Overzicht bijbelboeken

Letteren > Poëzie

Nicolaas Beets - Vasthi en Esther

In de eerste jaargang van De Gids (1837) De geest des tijds vinden we in de afdeling 'Mengelingen' een vijftal gedichten van Nicolaas Beets onder de titel Oosterlingen. In elk gedicht draait het om een vrouw uit het Oude Testament: Ruth, Hanna (1 Sam. 1-2), Rispa (2 Sam. 21:8-10), Wasti en Ester. Elk gedicht heeft een passend bijbelcitaat - in het Hebreeuws - als motto.

Wasti en Ester zijn de twee koninginnen uit het bijbelboek Ester. In deze gedichten, allebei opgebouwd uit vier strofen, toont Beets de vrouwen in hun optreden tegenover de koning. Voor zijn gedicht over Wasti heeft de dominee-dichter het bij de Hebreeuwse versie van het bijbelboek gehouden; zie bijv. de naam Zethar in de vierde strofe (vgl. Ester 1:14). Voor 'Esther' heeft Beets met zekerheid geput uit Toevoeging D in de Griekse versie.

Opvallend is dat Beets de handelwijze van Wasti vooral met bewondering beschrijft: wat een geweldige trots moet je hebben om het bevel van de koning naast je neer te leggen! Daarin verschilt dit gedicht aanzienlijk van 'Vasthi en Esther'Bloemlezing dat zijn collega P.A. de Genestet zo'n 20 jaar later zal schrijven.
In het gedicht over Ester richt de dichter zich in de 2e persoon tot Ester zelf. Pas in de laatste twee regels neemt hij afstand (3e persoon) en wijst hij vooruit naar de afloop van het verhaal.

Vasthi

1.
Manlijker trots in een vrouwlijke borst,
Is daar in 't Oosten wel nimmer vernomen,
Dan waarmeê Vasthi verweigeren dorst,
Zonder den sluier ter feestzaal te komen, -
Was niet de gastheer haar Heer en haar Vorst?

2.
'Breng der Vorstinne mijn Vorstlijke last,
Dat zy het hoofd met de wrong moet doen pralen,
Die aan de Gade van Koningen past,
Dat zy u volge in de vorstlijke zalen,
Waar zich ons oog aan haar schoonheid vergast'!'

3.
'"Breng aan den Koning mijn' vorstlijken groet,
Dat hy mijn aanzicht niet zien zal op heden!
Dat ik mijn' tulband niet trap met den voet,
Niet als een dienstmaagd ter feestzaal zal treden!
Zeg hem, dat hoogmoed voor dwaasheid behoedt."'

4.
Siddrend bracht Zethar die boodschap den Vorst;
Wreed heeft de Koning die fierheid gewroken;
Maar zeker nooit heeft, in vrouwlijke borst,
Manlijker trots in het Oosten gesproken,
Dan waarmeê Vasthi hem weigeren dorst.

Esther

1.
Schoone Esther! toen uw blanke hand
Het sluiergaas had weggeslagen,
En u des Konings oogen zagen,
Hoe trilde u hart en ingewand!
Gy zaagt hem, van zijn pracht omtogen,
In heerlijkheid en Vorstentrots,
Met gloed en vlammenschietende oogen,
En blinkende als een Engel Gods.

2.
Daar werd uw hart beroerd van vreeze;
Daar werdt gij, trotsche Koningin!
De minste van heel 't hofgezin,
Eene arme Palestijnsche weeze.
Daar boog uw lieflijk hoofd van schrik;
Daar sloot de vrees uw blinkende oogen;
En blos en blijdschap was vervlogen,
Bestorven voor dien Koningsblik.

3.
Maar toen gy in uw' blanken hals,
Op uw slavinne neêrgebogen,
Gelijk de leliebloem des dals
Bezwaard door droppels uit den hoogen,
Des gulden scepters kouden knop
Gewaar werdt, dien uw Koning voerde,
Wat vreugd die toen uw ziel ontroerde!
Hoe sloegt gy toen uwe oogen op!

4.
'Wat is u, Esther? spreek! schep moed!
Ik ben uw broeder; gij zult leven.'
'"Heer! gy zijt wonderlijk en goed..."'
Maar weêr heeft haar de kracht begeven.
Schoone Esther! nogmaals zonkt gy neêr
In d'arm van uwe ontstelde vrouwen!
Schoone Esther had haar volk behou'en,
En Abrams zaad herleefde weêr!

Zie ook

  • Toon terzijde Bloemlezing
  • Toon terzijde Nicolaas Beets - Elia

Bibliografische referenties

Nicolaas Beets, 'Vasthi' en 'Esther' (uit Oosterlingen) in: De Gids. Nieuwe Vaderlandsche Letteroefeningen, jrg. 2. Amsterdam: G.J.A. Beijerinck, 1837, p. 121-123. [Dit is ook te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

Ester Grieks 1:10-13, Ester Grieks D:6-15-16