Overzicht bijbelboeken

Over > Interpretatie

Onderwereld

Oude Testament

Het idee van een ‘leven na de dood’ is in het Oude Testament nog onontwikkeld. Sporadisch horen we iets over de ‘onderwereld’, aangeduid met het woord sheol. De onderwereld is de verblijfplaats van de doden en werd onder de aarde gedacht (Job 11:8; Ez. 31:15-17). Dit wordt ook geïmpliceerd in 1 Sam 28:3-25, waar koning Saul een dodenbezweerster bezoekt om de geest van Samuël te raadplegen. In vers 13 ziet de vrouw ‘een goddelijke gestalte uit de aarde oprijzen’. Verder blijkt uit het verhaal dat de doden in een staat van ‘rust’ zijn, en dat zij niet gestoord willen worden (28:15).

In latere passages wordt de onderwereld soms ook als een plaats van straf voor de onrechtvaardigen gedacht, zoals Psalm 31:18. Maar ook de rechtvaardigen dalen af naar de onderwereld (Ez. 32:27). God kan iemand redden uit het dodenrijk (Psalm 49:16), maar er wordt in het Oude Testament geen alternatief hiernamaals voorgesteld. Volgens Prediker zijn er ‘geen daden en gedachten, geen kennis en geen wijsheid’ in het dodenrijk (Pred. 9:10).

In de periode tussen het Oude en het Nieuwe Testament ontstaat het idee van een ‘hel’; een plaats waar de onrechtvaardigen, na het laatste oordeel van God aan het einde der tijden, moeten boeten. Dit idee vinden we voor het eerst in het pseudepigrafische boekOudtestamentische pseudepigrafen Henoch (derde tot eerste eeuw v. C.), en die plaats heet gehenna. Hetzelfde woord wordt door nieuwtestamentische schrijvers gebruikt.

Nieuwe Testament

Gehenna betekent letterlijk ‘dal van Hinnom’. Dit was de plaats waar tijdens de periode van het Koninkrijk kinderoffersKinderoffers en Moloch gebracht werden (2 Kon. 23:10). Mettertijd was dit dal een vuilstortplaats geworden, een bijzonder ‘onreine’ plaats dus. Tegelijk was gehenna de aanduiding geworden voor de plaats waar Gods vijanden gestraft werden naar lichaam en ziel (Mat. 10:28; 23:33; Mar. 9:43-47). Aan de andere kant wacht de rechtvaardigen na het laatste oordeel het paradijs.

In het Nieuwe Testament wordt het woord Hades ook gebruikt voor de onderwereld (Mat. 11:23). Hades was de Griekse god van de onderwereld, maar de onderwereld zelf werd ook ‘Hades’ genoemd. In vroege Griekse mythologie heeft ‘de Hades’ veel weg van het oudtestamentische sheol: een duistere plek in het diepst van de aarde waar de doden rusten. Tijdens het hellenisme ontwikkelde zich echter het idee van de Hades als een plek van straf na de dood. Dit idee heeft ook de schrijvers van het Nieuwe Testament beïnvloed.

Heeft betrekking op:

1 Samuël 28:3-25, Ezechiël 26:20, Ezechiël 31:14-18, Jakobus 3:6, 1 Kronieken 10:13, Numeri 16:30, Job 11:8, Psalm 31:18, Prediker 9:10, Matteüs 11:23, Marcus 9:43-47, Wijsheid van Jezus Sirach 9:12, Wijsheid van Jezus Sirach 14:16, Wijsheid van Jezus Sirach 16:22, Wijsheid van Jezus Sirach 41:4