Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Ontbijten met Ezechiël

Multatuli zegt in Idee 437 over de bijbel:

Hoe kunnen ouders hun kinderen een boek in-handen geven, dat onovertroffen is in schandelyke taal en walgelyke vuiligheden? Wie 't ontkent, heeft nooit dat boek gelezen. Met welk recht weert men de werken van De Sade, Pigault, Lebrun of Paul De Kock uit z'n huis, als men z'n dochters de geschiedenissen in-handen geeft van ABRAHAM, LOTH, JACOB, JUDA, RUTH, DELILA, JUDITH, RACHAB, BATHSEBA en konsorten?

In een voetnoot licht hij toe dat hij helemaal geen problemen heeft met de bijbel en de daar aangetroffen 'vuiligheden', maar wel met de dubbele moraal van zijn gelovige tijdgenoten:

Het zal nog lang duren voor Droogstoppel hoog genoeg staat om zich niet te ergeren aan de fatsoensfouten van de Schrift. Maar waarom blyft hy dan zweren by de heiligheid? De tyd zal komen dat myn geestverwanten de naïveteit des bybels in bescherming nemen tegen de naneven der tegenwoordige geloovers.

In dezelfde noot herinnert Multatuli aan Idee 431, waarin hij ook al in de clinch lag met die gelovigen:

- Maar, zeggen de vromen, uw vergelyking is niet juist. Wy weten wèl wat onzen Heer aangenaam is. Hy heeft zich verwaardigd ons dat te openbaren.
- Ei zoo? Laat eens hooren.
Eerste vrome: Hy begeert psalmen.
- Neen, roept de tweede vrome, ik vereer hem door in de rondte te draaien.
Derde vrome: Ik spreek door den neus... dat doet hem zeker pleizier.
Vierde vrome: Ik verveel me alle zondagen tot zyn eer.
Vyfde vrome: Ik ontbyt met Ezechiel.
(...)

Ontbijten met Ezechiël? In een uitvoerige noot legt Multatuli uit:

Ik leg den vyfden vrome 'n uitroep in den mond, die my werd ingegeven door VOLTAIRE's luchtig kritiekje van Ezechiel IV, vs. 12. Hy zegt daarvan: pourvu que le Seigneur ou son profète ne m'invitent pas à déjeuner, of zoo-iets.
De manier waarop men gewoonlyk die fransche aardigheid beantwoordt, houdt geen steek. De van-pasmakers der Schrift beweren dat hier geen spraak is van specery, saus of kondiment ter-bereiding van de spyzen, minder nog van de spys-zelf, maar van brandstof, en dat dus VOLTAIRE ten-onrechte zoo afkeerig was van 'n invitatie om aan 't maal deeltenemen.
Dat mest - byv. van runderen - in sommige Oostersche landen gebruikt wordt als brandstof, is waar, al kan ik niet verzekeren dat dit ook 't geval is met de in den aangehaalden tekst uitdrukkelyk omschreven soort. Aannemende echter dat vs. 12, naar den wensch der theologen, in niet al te onzindelyke beteekenis kon worden opgevat, dan nog verzetten zyzelf zich door die opvatting flagrantelyk tegen hun ‘Heer’ die in 't volgend vers ronduit verklaart dat het ditmaal z'n stellig voornemen is, iets heel onsmakelyks te doen gereed-maken. In vs. 11 wil ik me niet verdiepen, om niet meer te bewyzen dan noodig is.
Er blykt alzoo duidelyk dat VOLTAIRE's tegenzin in de uitnoodiging volkomen gewettigd is, en schriftuurlyker dan die der uitleggers.
Toch heeft hy ongelyk! De vraag is namelyk niet, hoe en waar hy ontbyten wil, maar: of hy op die wyze de strekking van EZECHIEL's bedoelingen weerlegt? (...)
Wat my betreft, ik kan uit den heelen EZECHIEL niet wys-worden, al keur ik dan ook de manier niet goed, waarop VOLTAIRE hem aanvalt. My komt, byv. de zoo gewraakte beeldspraak in cap. XXIII, niet alleen verdedigbaar maar zelfs grandioos voor.
Hoe dit alles wezen moog, ik liet onzen vyfden vrome iets zeggen dat niet in hem wezen kon, en voor die schryversfout vraag ik vergeving.

Later, in Idee 1196, zet Multatuli het wapen van Ezechiëls poep-vers nogmaals in tegen een gelovige tegenstander, 'de eerwaarde Schaepman', die zich kennelijk kritisch over hem had uitgelaten:

Toch moet ik erkennen dat ik eenigszins verwonderd was, de zeer gegronde aanmerking op m'n 'kunstsmaak' te vernemen uit den mond van iemand die beroepshalve by voorkomende gelegenheid zich zou moeten laten roosteren voor de heiligheid van Ezechiel IV, vers 12, e.d. Dit zou nu weer myn smaak niet gedoogen.

Bibliografische referenties

Multatuli, Ideën, eerste bundel. Amsterdam, 1879 (6e druk). [De volledige tekst is te vinden in de DBNL.]

Multatuli, Ideën, zesde bundel. Amsterdam, 1878 (2e druk). [De volledige tekst is te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

Ezechiël 4:12, Ezechiël 23:1-49