Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

Organisatie in de vroege kerk

Het is niet eenvoudig iets te zeggen over de organisatiestructuur van de vroege christelijke kerk. Het Nieuwe Testament noemt wel een aantal functies, maar de precieze inhoud ervan is vaak niet helemaal duidelijk. Ook de grens tussen de verschillende functies is moeilijk helder te krijgen.

Iets wat wel duidelijk is, is dat de vroege kerk geen strakke hiërarchie kende. Duidelijk omschreven functies en ‘ambten’ zoals wij die kennen, bestonden nog niet: het is veelzeggend dat het Griekse woord voor ‘ambt’ (archè) niet voorkomt in het Nieuwe Testament. (Dit is overigens een groot verschil met de heidense religieuze gemeenschappen van de tijd. Die kenden gewoonlijk zeer voornaam klinkende ambten.)

Pas in de pastorale brieven 1 Timoteüs en Titus zijn beschrijvingen te vinden van iets wat we achteraf een ‘ambt’ zouden kunnen noemen. In het boek Handelingen en in de zendbrieven van Paulus zijn de verschillende taken binnen de kerk echter nog niet zo duidelijk omschreven en gescheiden.

Hieronder worden een aantal functies binnen de vroege christelijke kerk behandeld.

Apostelen

Aanvankelijk werd de kerk van Jeruzalem geleid door ‘de twaalf’: de discipelen van JezusJezus' discipelen (Hand. 6:1-6). Zij worden aangeduid met het woord ‘apostel’. Dat woord betekent ‘iemand die gezonden is’, met de implicatie ‘om een boodschap over te brengen’. Een apostel is dus in de eerste plaats een verkondiger.

Niet alleen ‘de twaalf’ worden apostel genoemd in de bijbel. Paulus en Barnabas zijn volgens Handelingen ook apostelen (14:14) en Paulus noemt zichzelf apostel (1 Kor. 15:5-9; Gal. 1:1, 17; zie ook Efez. 1:1). Paulus spreekt in zijn brieven ook over andere apostelen (2 Kor. 11:13). In de brief aan de Romeinen laat hij er twee groeten: Andronikus en Junia (16:7). Die laatste is de enige bekende vrouwelijke apostel.

Paulus ziet de christelijke gemeenschap als het lichaam van Christus. Ieder ‘lidmaat’ heeft zijn eigen functie en plaats en gaven die hij van God heeft gekregen. Op grond van de gaven van de Geest (charismata) waarmee iemand gezegend is, vervult hij zijn taak (1 Kor. 12; vgl. Efez. 4:11-13).

Oudsten

In de Joodse gemeenschap vervulden raden van ‘oudsten’ administratieve, adviserende en juridische taken. De leden van het SanhedrinSanhedrin werden bijvoorbeeld ‘oudsten’ genoemd. De vroege christelijke kerk kende ook raden van oudsten, zoals blijkt uit het boek Handelingen (14:23; 15:2). Deze oudsten hadden waarschijnlijk eenzelfde soort leidinggevende rol als de Joodse ‘oudsten’. Uit de brief van Jakobus blijkt dat ze ook een liturgische rol hebben (5:14). Het enkelvoud ‘oudste’ (presbyteros) komt alleen voor in de brieven van Johannes. De auteur noemt zichzelf zo (2 Joh. 1; 3 Joh. 1).

Profeten

In 1 Korintiërs 12:28 schrijft Paulus dat God in de gemeente iedereen een plaats heeft gegeven, ‘ten eerste aan apostelen, ten tweede aan profeten en ten derde aan leraren’. Welke functie iemand vervult, hangt zoals gezegd samen met de gave van de Geest die hij bezit. Terwijl sommigen verkondigen of onderwijzen, hebben anderen de gave van de profetie ontvangen. Volgens Paulus behoren profeten te troosten, te bemoedigen en op te bouwen (1 Kor. 14:1, 3).

Leraren

Leraren (of leraars) geven onderricht aan de leden van de gemeente. Dit wordt door Paulus ook als een gave van de Geest opgevat (Rom. 12:7). Volgens 1 Timoteüs en Titus mogen vrouwen geen onderricht geven aan mannen (1 Tim. 2:11-12), maar wel aan andere vrouwen (Tit. 2:3).

Opzieners

In het boek Handelingen wordt het woord ‘opziener’ (episkopos) in algemene zin gebruikt voor de ‘oudsten’ (20:17, 28). Naarmate de kerk zich verder ontwikkelt, worden de individuele leiders van gemeenten ook ‘opziener’ genoemd. In die betekenis komt het woord voor in de pastorale brieven. 1 Tim. 3:1-7 geeft de functie-eisen voor een opziener: hij moet onberispelijk zijn, sober en gastvrij en hij moet goed leiding kunnen geven aan zijn huisgezin. Ook moet hij een goed leraar zijn (vergelijk Tit. 1:7-9).

Diakenen

De ‘diaken’ (diakonos, letterlijk ‘dienaar’) vervult in de gemeente een ondersteunende, dienende taak. Deze functie gaat waarschijnlijk terug op de zeven mannen die de Griekstalige christelijke weduwen in Jeruzalem van een maaltijd moesten voorzien (Hand. 6:1-7). Later wordt ‘diaken’ een aparte functie binnen de kerk. In de eerste brief aan Timoteüs wordt naast de opziener ook de ideale diaken omschreven (1 Tim. 3:8-13). Het verschil tussen een ‘opziener’ en een ‘diaken’ wordt daar ook duidelijk: terwijl een opziener onderwijst, doet een diaken dat niet. Vrouwen kunnen overigens ook diaken zijn (1 Tim. 3:11; vergelijk Rom. 16:1).

Heeft betrekking op:

Handelingen 6:1-7, Handelingen 14:14, Handelingen 15:2, Romeinen 12:6-8, 1 Korintiërs 12:1, 1 Korintiërs 14:1, 2 Korintiërs 11:13, Efeziërs 4:11-13, 1 Timoteüs 3:1, Titus 1:7-9, Titus 1:5, Titus 2:3, 2 Johannes 1:1, 3 Johannes 1:1, Jakobus 5:14, Filippenzen 1:1