Overzicht bijbelboeken

Over > Interpretatie

Oudtestamentische pseudepigrafen

Letterlijk betekent het woord pseudepigrapha ‘valselijk toegeschreven geschriften’. Elk geschrift dat ten onrechte op naam van iemand staat, is dus ‘pseudepigrafisch’. Maar de term ‘oudtestamentische pseudepigrafen’ wordt ook meer specifiek gebruikt voor Joodse geschriften die geen deel uitmaken van het Oude Testament, en ook niet van de zogenaamde ‘deuterocanonieke’ boeken Deuterocanonieken/Apocriefen. De naam is gekozen omdat deze geschriften vaak op naam staan van een oudtestamentische figuur, zoals Henoch, Baruch of Ezra. De ‘oudtestamentische pseudepigrafen’ worden ook vaak aangeduid met het woord ‘apocrief’.

De boeken die tot de pseudepigrafen gerekend worden – sommige geleerden hanteren daarvoor striktere maatstaven dan andere – zijn ontstaan in de hellenistische en Romeinse tijd (ongeveer 250 v. C. tot 200 n. C).

Veel pseudipegrafische geschriften gaan nader in op onderwerpen die in de Hebreeuwse bijbel nog tamelijk onuitgewerkt zijn Een mooi voorbeeld hiervan zijn de ‘hemelse machten’. Engelen komen we in het Oude Testament maar een enkele keer tegen, en demonen zelfs helemaal niet, maar zij werden een zeer geliefd onderwerp in het Joodse denken in de eerste twee eeuwen voor de christelijke jaartelling. We komen het onderwerp van hemelse machten dan ook veelvuldig tegen in de pseudepigrafen, en de denkbeelden die toen voor het eerst op schrift gesteld zijn, komen we ook weer tegen in het Nieuwe Testament. Zo kunnen pseudepigrafische geschriften de ‘missing link’ tussen het Oude Testament en het vroege christendom en de rabbijnse literatuur invullen. Alleen al daarom zijn ze van grote wetenschappelijke waarde.

Andere pseudepigrafen proberen theologische problemen in de bijbel ‘glad te strijken’. Een mooi voorbeeld daarvan is het huwelijk van Jozef met Asnat, de dochter van een Egyptische priester, vermeld in Genesis 41:45. Op andere plaatsen in de bijbel wordt zo’n huwelijk met een heidense vrouw veroordeeld (1 Kon. 11:1-4; Neh. 13:26-27). Een pseudepigrafisch geschrift lost het probleem op door uitvoerig de bekering van Asnat tot het Jodendom te beschrijven voordat zij met Jozef trouwt.

Iets anders wat we tegenkomen in de pseudepigrafen is het invullen van ontbrekende informatie in de Hebreeuwse bijbel, of het opnieuw en uitvoeriger vertellen van bijbelse geschiedenissen. Voorbeelden daarvan zijn de boetedoening van Adam nadat hij de verboden vrucht gegeten heeft, of verhalen rondom de tovenaars van de farao die volgens het boek Exodus Mozes en Aäron tegenwerken (Ex. 7:11-12 en 22). We komen de namen van die Egyptische tovenaars, Jannes en Jambres, ook tegen in een nieuwtestamentische brief: 2 Timoteüs (3:8-9).

Zoals gezegd hebben de pseudepigrafen onmiskenbaar invloed gehad op de schrijvers van het Nieuwe Testament. Dat is bijvoorbeeld heel goed te merken in de brief van Judas. Als hij het heeft over engelen, in de verzen 6 en 13, refereert hij niet aan het Oude Testament, maar aan verhalen die voor het eerst in 1 Henoch beschreven worden. In de verzen 14-15 citeert hij er zelfs uit. In ieder geval had dit pseudepigrafische boek voor Judas dus autoriteit.

Zie ook

  • Toon terzijde Deuterocanonieken/Apocriefen

Heeft betrekking op:

Judas 1:6