Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

P.F. Thomése - Leviathan

In 1990 debuteerde P.F. Thomése met Zuidland, een bundeling van drie novellen: 'Leviathan', 'Zuidland' en 'Boven aarde'. Een jaar later werd zijn eersteling bekroond met de AKO Literatuurprijs.
Thomése biedt zijn lezers in dit boek historische fictie: verhalen met de geur en de smaak van het verleden, bekend en vreemd tegelijk. De novelle waarmee Zuidland opent, 'Leviathan', speelt zich af in de 16e-17e eeuw. Thomése spint hier met behulp van een aantal historische feiten en figuren - de stranding van een 58 voet metende potvis bij Noordwijk in 1614, een bezoek van Victor Giselinus aan Janus Dousa (Jan van der Does) - zijn eigen bizarre vertelling.

Esaias van de Velde
Gestrande potvis bij Noordwijk

Drie dronken jagers strompelen in verschrikkelijk noodweer door het duingebied bij Noordwijk. Ze slepen de stenen kop van de heilige Hieronymus van Noordwijk mee in een vuile linnen zak. Ze beklimmen een hoge duin om zich te oriënteren, maar

wat ze zagen, maakte hun vooruitzichten er niet beter op. Het was niet alleen de zee die alom was en die schuimbekte als de profetieën van Jesaja, oplichtend en oprijzend onder de verduisterde hemel, maar vooral dat beest, dat angstaanjagend groot en vlakbij was, zo groot en ontzagwekkend dat het wel bijbels leek - het keek hen aan en grijnsde omdat zij zo onbeduidend waren. Het was niet duidelijk wat ze konden doen, want ook achter hen was de zee. Het was om zo te zeggen zo dat de zee alleen niet was waar zij waren. Merkwaardig was ook, en dat drong langzaam tot hen door, dat de zaak hopeloos was. (...) Het bijbeldier kwam niet dichterbij - al ging het ook niet weg. Af en toe dompelde het onder, als om de jagers te misleiden, en dan rees het weer op met een ontzaglijke rug. Het kwam de jagers voor dat het beest de aanstichter was van het zeegeweld. (...)

De volgende ochtend, nadat de jagers en de heiligenkop in de stormvloed, 'in de diepte der duisternis', verdwenen zijn, loopt het dorp uit om de schade op te nemen. Voorop loopt de Admiraal. Deze man is indertijd aanhanger van het nieuwe geloof geworden, maar tijdens de beeldenstorm heeft hij de kop van de heilige van Noordwijk gered en mee naar huis genomen. Hij besefte dat hij daarmee "iets onherstelbaars had gedaan, iets wat alleen met straf vergolden kon worden. Hij had zich weliswaar tot het nieuwe geloof bekeerd, maar hij vreesde dat God zich daar weinig van zou aantrekken. De hagepreker had gezegd dat Hij 'uitroeien zal uit het land de namen der afgoden, dat zij niet meer gedacht zullen worden' [Zach. 13:2]. Toch lag de heilige Hieronymus zijn hoofd bij hem in de kast en dacht hij elke dag aan hem." Dus toen er drie jagers bij hem aan de deur verschenen waren, had hij hen dronken gevoerd en ze de kop meegegeven.

Nu de storm was gaan liggen leek het of al wat tevoren was geweest, was weggenomen. De heilige der stormen had hun woningen weggenomen en hun schepen en hij had de paden weggenomen en deed hen dwalen in het woeste. De vissers klaagden en vloekten, maar de Admiraal was alleen maar moe. Hij wist dat het zo hoorde: dat men opbouwt wat toch verloren gaat - en dat het nutteloos is dit te weten. Hij zou zijn huis van twee verdiepingen weer oprichten, belachelijk nietig met zijn dak van riet onder het gruwelijk uitspansel. Hij zou de vissers weer leiden, en zij zouden menen dat ze ergens heen gingen, omdat ze hem volgden - zoals ze allen de Heer volgden en niet wisten dat Hij vertoornd was en de waarheid van de wereld had weggenomen en alleen de hoop had achtergelaten. (...)
Zo gingen zij voort: beklemd en in zichzelf gekeerd - en daardoor zagen zij de vreemdeling pas toen hij vlakbij was. Hij leek op een monnik, maar dan een van een onbekende orde. Om zijn schouders hing een grauwe deken die om zijn middel was vastgesnoerd met een rafelig meertouw. Zijn hoofd was kaal; de kale kop was hard en glad als koper. Hij sprak niet en ook keek hij hen niet aan. Hij wees naar de zee. En toen pas zagen ze wat ze allang hadden kunnen zien omdat het daar de hele tijd was geweest.
Op het strand lag verschrikkelijk groot en levend de Leviathan.

In het volgende hoofdstuk komt Janus Dousa of Jan van der Does, heer van Noordwijk, met een paar literaire vrienden uit Leiden ook deze kant op. Ze worden naar het strand gebracht, waar het volk inmiddels tot de conclusie is gekomen "dat het iets met God te maken had en dat Hij de walvis had gezonden om te duiden". Dousa weet niet wat hij moet doen, maar zijn drie Leidse vrienden willen de walvis van dichtbij bestuderen.

De geleerden betreurden het dat ze niet de beschikking hadden over een meetlat, want in de Bijbel stond geschreven [Openb. 13:18]: 'Hier is de wijsheid: die het verstand heeft, rekene het getal van het beest.' Het verstand was er, dat hadden ze zelf, het beest lag er ook, maar zonder meetlat zou hun de wijsheid niet geworden. Om niet uit hun rol te vallen besloten ze de walvis zo goed en zo kwaad als dat ging aan het eigen lichaam te meten: met el, span en duim. Door de plechtstatigheid waarmee zij te werk gingen kreeg hun optreden iets potsierlijks, het werd een onbedoelde spotternij met het onbegrijpelijke. (...)
De toeschouwers, die er niet zeker van waren of dit mocht, deze zonderlinge en wellicht zelfs godslasterlijke paardans van drie heren en een walvis, keken in angstige afwachting naar het bevoegd gezag, dat het echter in orde scheen te vinden. Toch had men het er niet zo op, en toen de geleerden hun metingen noteerden - wat ze, bij gebrek aan een lei, op het strand deden: ze trokken met hun hak cijfers in het natte zand - vreesden de toeschouwers iets vreselijks, namelijk het getal dat het getal van het beest is, en hoewel ze geen van allen konden lezen, waren er die meenden het getal te zien. Zeshonderdzesenzestig. Zeshonderdzesenzestig, suizelde de wind. Zeshonderdzesenzestig: iedereen fluisterde het, maar niemand begreep wat het betekende.

Thomése leidt de zo sfeervol geschetste situatie niet naar een ontknoping die op alle vragen een antwoord geeft. De lezer weet niet hoe hij alles moet duiden - net als de verwarde verhaalfiguren, die zich bij een voorbijkomende groep aansluiten, niet omdat ze weg wilden, maar omdat ze dachten dat ze ergens heen gingen. Maar ze gingen nergens heen. Ze zijn altijd gebleven.

Bibliografische referenties

P.F. Thomése, 'Leviathan' in: Zuidland, Vianen: ECI/Querido, 1991.

Heeft betrekking op:

Job 3:8, Job 40:20, Jesaja 27:1, Psalm 74:14, Psalm 104:26, Openbaring 13:18, Zacharia 13:2