Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

Redder

Een van de meest bekende bijnamen van Jezus is ‘redder’ (traditioneel: 'Heiland' of 'Verlosser'), soter in het Grieks. Maar niet alleen Jezus wordt redder genoemd in het Nieuwe Testament, ook God zelf. Voor de rest krijgt niemand die naam toebedeeld. Voordat we ingaan op de betekenis van ‘redder’ en aanverwante woorden, eerst wat meer over de achtergronden ervan.

In de Griekse wereld waren diverse goden ‘redder’. Zeus, de oppergod, was de machtigste god en dus ook de allergrootste ‘redder’. Hele steden en volken zeiden door hem gered te zijn uit de handen van vijanden. Een meer persoonlijke ‘redder’ was de genezende god Asklepios: hij ‘redde’ iemand van ziekte. In de hellenistische tijd waanden Griekse koningen zichzelf goden; een van hun ‘goddelijke’ bijnamen was ‘redder’.

In het Oude Testament is ‘redding’ een zeer belangrijk thema. God ‘redt’ regelmatig mensen uit een bedreigende situatie: oorlog, verdrukking en ziekte bijvoorbeeld. De bevrijding uit de slavernij in EgypteHet exodusmotief in het Oude Testament is typerend voor de God van Israël. Soms zendt hij mensen om zijn volk te ‘redden’; Mozes en de rechtersRechters uit het gelijknamige boek zijn daar een goed voorbeeld van.

In het Nieuwe Testament hangt ‘redding’ altijd nauw samen met de persoon van Jezus – de Hebreeuwse naam Jezus betekent ‘God is redding’. Hij is de ‘redder van de wereld’ (Joh. 4:42; Luc. 2:11) omdat hij de mensen, zowel Joden als niet-Joden (Hand. 15:11), verlost heeft van zonde en dood. Dat deed hij door zijn lijden, sterven en opstanding (Hand. 13:38). De ‘redding’ van de wereld is echter pas voltooid aan het eind der tijden, met de wederkomst van ChristusDe wederkomst van Christus (Ef. 1:7-10; Kol. 1:20).

Volgens het Nieuwe Testament bestaat de redding door Jezus vooral uit de bevrijding van de zonde, en daarmee ook van de dood, die door de zonde in de wereld gekomen is (Rom. 5:12). Iedereen heeft volgens de apostel Paulus die redding nodig, ‘want iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God’ (Rom. 3:23). Naast die universele redding van de ‘mensheid’, kunnen ook individuele mensen van allerlei bedreigingen worden ‘gered’. Bijvoorbeeld van ziekte (Luc. 8:48), demonische bezetenheid (Marc. 1:34) of het kwaad in de persoon van de duivel (Matt. 6:13). Lucas beschrijft de ‘ontredderde’ staat van de mensheid met een citaat van de profeet Jesaja: armoede, gevangenschap, blindheid en onderdrukking (Luc. 4:18).

In de pastorale brievenDe pastorale brieven ten slotte komt het woord ‘redder’ naar verhouding veel voor. Deze redding komt zowel van God als van Jezus. Gelijk al in 1 Tim. 1:1 wordt gesproken van ‘God, onze redder’ en even later lezen we dat ‘God, onze redder, […] wil dat alle mensen worden gered’ (1 Tim. 2:3-4; vgl. Tit. 2:11). Die redding, van de zonde, is mogelijk omdat Jezus in de wereld gekomen is (1 Tim. 1:15). Ook volgens de pastorale brieven is de redding van de mensheid voltooid aan het einde der tijden: het geluk waarop de gelovige hoopt is ‘de verschijning van de majesteit van de grote God en van onze redder Jezus Christus’ (Tit. 2:13).

Heeft betrekking op:

Lucas 2:11, Johannes 4:42, Handelingen 13:38, Romeinen 3:23, Romeinen 5:9, Romeinen 13:11, Titus 2:13, Titus 1:3, 1 Timoteüs 1:1, 2 Timoteüs 1:10, Judas 1:3, Judas 1:25, Filippenzen 1:28, Filippenzen 3:20