Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

Rein en onrein

Het onderscheid tussen ‘rein’ en ‘onrein’ behelst veel meer dan het onderscheid tussen ‘schoon’ en ‘vies’ of tussen ‘hygiënisch’ en ‘onhygiënisch’. Het zijn brede begrippen: mensen kunnen rein en onrein zijn, maar ook dieren, objecten en land; en dat ook nog op verschillende niveaus: fysiek, cultisch en moreel. Voordat we ingaan op de verschillende aspecten van de begrippen ‘rein’ en ‘onrein’ enkele algemene opmerkingen.

Iets wat ‘rein’ is, kan door contact met ‘onreinheid’ verontreinigd raken. Onreinheid werd dus gezien als ‘besmettelijk’. Iemand die een lijk aanraakt, wordt onrein (Num. 19:11) en iedereen en alles waar hij vervolgens weer mee in aanraking komt, is ook onrein (Num. 19:22). Er zijn veel verschillende vormen van onreinheid, van tamelijk onschuldig tot zeer gevreesd.

In de boeken Leviticus en Numeri vinden we de reinheidsvoorschriften. Er wordt minutieus beschreven wat precies ‘rein’ is of ‘onrein’ en wat er moet gebeuren om iemand die ‘verontreinigd’ is, weer te ‘reinigen’: dat kan variëren van een simpel bad tot uitvoerige rituelen en offerplechtigheden.

We kunnen twee soorten ‘onreinheid’ onderscheiden: toegestane onreinheid en verboden onreinheid. Onder die eerste groep vallen zaken die niet te vermijden zijn. Ten eerste zijn daar de typen onreinheid die met de dood te maken hebben: het aanraken van een lijk maakt iemand zeven dagen lang onrein (Num. 19:11). Ook het aanraken van het kadaver van een dier maakt iemand onrein (Lev. 11:8, 24). Ten tweede kan onreinheid veroorzaakt worden door de menselijke seksualiteit, zoals een zaadlozing (Lev. 15:16-18), menstruatie (Lev. 15:19-24) en geboorte (Lev. 12). Ten derde is er ziekte als verontreiniger, en dan vooral de zogenaamde ‘huidvraat’ (Lev. 13:1-46). Ook huizen kunnen onrein worden door ‘vraat’ (Lev. 14:33-53).

De onreinheid die ‘verboden’ is, is veel ernstiger. Hierbij gaat het tenslotte om onreinheid die voorkomen had kunnen worden. Het is bijvoorbeeld een zonde om ‘verontreinigd’ rond te blijven lopen: iemand die zich bijv. niet laat reinigen na het aanraken van een lijk, loopt het risico ‘uit de gemeenschap van Israël gestoten’ te worden (Num. 19:13, 20). Misdaden als moord, seksuele perversiteit en afgodendienst hebben ook onreinheid tot gevolg. In deze gevallen kan ook het land worden verontreinigd (Lev. 18:25, 27, 28) en, erger nog, het heiligdom van God (Lev. 20:2-5).

Voor ‘heilige’ Israëlieten, zoals de priesters en de NazireeërsNazireeërs, gelden strengere reinheidsvoorschriften dan voor de ‘gewone man’: priesters moeten helemaal uit de buurt van lijken blijven, behalve van die van hun verwanten (Lev. 21:1-4); en voor de hogepriester geldt zelfs: ‘Hij mag nooit in de nabijheid van een lijk komen, zelfs omwille van zijn vader of moeder mag hij zich niet verontreinigen’ (Lev. 21:11).

De boeken Leviticus en Numeri beschrijven ook hoe er ‘gereinigd’ moet worden. Bij alle vormen is waarschijnlijk een bad verplicht. Hoe ernstiger de onreinheid, hoe meer er nodig is om de onreinheid weg te nemen. De tijd die moet verstrijken is bijvoorbeeld langer (meestal één of zeven dagen, maar tachtig dagen voor de moeder van een pasgeboren dochter; Lev. 12:5). Voor iemand die genezen is van ‘huidvraat’ wordt in Leviticus 14:1-32 een uitgebreid reinigingsritueel beschreven. Bij de ernstige verontreinigingen die veroorzaakt zijn door misdaden, moet ook het heiligdom worden gereinigd.

Voedsel kan ook rein of onrein zijn. Het boek Leviticus beschrijft uitvoerig welke dieren op het menu mogen staan en welke dieren niet. De landdieren die gegeten mogen worden, zijn de dieren ‘die gespleten hoeven hebben … en bovendien hun voedsel herkauwen’ (Lev. 11:3); een dier dat maar aan één van beide eisen voldoet, geldt als onrein. Voor waterdieren staat voorgeschreven dat ze schubben en vinnen moeten hebben (11:12). In de rest van hoofdstuk 11 van het boek Leviticus worden alle soorten dieren nagegaan, om precies vast te leggen welke gegeten mogen worden en welke niet.

Heeft betrekking op:

Numeri 5:1, Numeri 19:7, Numeri 35:34, Leviticus 11:1, Baruch 3:11, Titus 1:15, Ezechiël 4:13, Ezechiël 8:10, Ezechiël 18:6, Ezechiël 22:26, Ezechiël 36:17, Ezechiël 44:22, Wijsheid van Jezus Sirach 34:30, Nehemia 7:64, Nehemia 12:30