Overzicht bijbelboeken

Letteren > Proza

Rob Schouten - Gestolen goed

Het kan geen kwaad om van tijd tot tijd eens stil te staan bij de geschiedenis van Ananias en Saffira. Dat echtpaar (van middelbare leeftijd stel ik me voor - de bijbel is zo korzelig over het hele geval dat interessante details erbij inschieten) had een eigendom verkocht en bracht van de opbrengst een deel naar de apostelen. Ze vertelden er echter niet bij dat ze ook iets voor zichzelf achtergehouden hadden want ze wilden niet graag de indruk wekken niet álles voor Gods werk over te hebben. De straf van de allerhoogste voor dit bedrog was verschrikkelijk. Ananias en Saffira vielen vlak na elkaar dood voor de apostelen neer. En een grote vrees kwam over de gehele gemeente en over allen, die dit hoorden.
Een goede les, voor wie niet? maar een nogal insinuerend onderwerp voor een offerdienst, als je het mij vraagt. Maar mij wordt nu eenmaal niets gevraagd, hoewel juist ik min of meer boven de partijen sta, want mijn gift komt niet eens uit mijn eigen zak maar uit die van mijn moeder. Voor de dienst heeft ze me een gesloten envelop met vijfentwintig gulden gegeven.
Het inzamelen van de offeranden na afloop van de preek is een heel gedoe, want ieder gemeentelid komt zijn zakje persoonlijk en onbevreesd op de offertafel, pal onder de kansel, leggen.

Zo opent Rob Schouten het titelverhaal van zijn prozadebuut, de verhalenbundel Gestolen goed uit 1989. Schouten beschrijft op zijn eigen humoristische wijze hoe de offer-praktijk in deze kerkelijke gemeente is vormgegeven. De teksten die op de zakjes geschreven zijn, worden allemaal vanaf de kansel voorgelezen, hoewel vrijwel iedereen hetzelfde heeft opgeschreven: 'God heeft de blijmoedige gever lief' (2 Kor. 9:7). Een jeugdige grappenmaker zou een tekst uit Job op zijn zakje hebben geschreven: 'Mijn adem is stinkend voor mijn vrouw' (Job 19:17), maar door onbekende oorzaak blijft de predikant deze afgang bespaard.

De hoofdpersoon van het verhaal is de zoon van de dominee. Het wordt al snel duidelijk waarom het verhaal begon met Ananias en Saffira (Hand. 5): van de 25 gulden die hij namens zijn moeder moest offeren, heeft hij er 24 achtergehouden, om een paar bijzondere postzegels voor zijn verzameling te kunnen kopen. Het eerste deel van het verhaal, de kennismaking met de ik-figuur, eindigt met de woorden: 'Ik heb mij, dunkt me, nu voldoende geopenbaard. Gij nu, houd het gezicht verborgen, want het ziet op een verre toekomst.' (Zie Dan. 8:26.)

In het vervolg van het verhaal zien we de jongen in de les op school, bij de postzegelhandelaar, aan tafel met zijn scrabblende ouders en ... in de politiecel. 'Koortsachtig in mezelf pratend loop ik te ijsberen en zie mijn toekomst in rook vervliegen. Welke toekomst trouwens? (...) Ach, zaten Paulus en Silas maar een paar cellen verderop. Ik zou het wel weten als hier opeens psalmen en gezangen doordrongen. Plosteling zink ik op mijn knieën en begin te bidden, wel vijf minuten lang. Maar denk maar niet dat er iets gebeurt.' (Vgl. Hand. 16:23-40.)

Nadat de jongen door zijn ouders uit het politiebureau is opgehaald, komt zijn zaak korte tijd later voor de kinderrechter. Zijn postzegelverzameling is, 'hangende het onderzoek', in beslag genomen. Men kan echter geen harde bewijzen van diefstal vinden, dus worden de albums weer vrijgegeven. Maar de betovering van de zegels is verbroken. Aan het einde van het verhaal verscheurt de jongen zijn albums, blad voor blad.

Bibliografische referenties

Rob Schouten, Gestolen goed. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1989.

Heeft betrekking op:

Handelingen 5:1-11, Handelingen 16:25, 2 Korintiërs 9:7, Job 19:17, Daniël 8:26