Overzicht bijbelboeken

Over > Interpretatie

Romeinse overheersing (vanaf 6 n. C.)

De Romeinen kenden drie verschillende soorten provincies. Allereerst waren er de senatoriale provincies. Die waren relatief veilig gebied en werden bestuurd door een proconsul, benoemd door de senaat. De tweede groep wordt gevormd door de keizerlijke provincies. Die stonden onder direct gezag van de keizer en werden geregeerd door zijn ‘waarnemer’, een legaat. In deze keizerlijke provincies was het politieke klimaat dermate instabiel dat een constante Romeinse bezetting nodig was (Syrië is daar een voorbeeld van). De gouverneurs van deze twee soorten provincies waren afkomstig uit de senatorenstand, de bovenste laag van de Romeinse elite.

Judea wordt een provincie van de derde categorie, namelijk een keizerlijke provincie onder bevel van een prefect (of later: 'procurator'). Zo’n prefect was afkomstig uit de ridderstand, de onderste laag van de Romeinse aristocratische elite. Over het algemeen waren provincies uit deze derde categorie zo klein en onbelangrijk dat het bestuur ervan 'beneden' een senator geacht werd. Zij waren een autonoom onderdeel van een keizerlijke provincie bestuurd door een legaat - in het geval van Judea was dat Syrië.

In 6 na Christus wordt de gouverneur van Syrië, Quirinius, opgedragen het bestuur van de nieuwe provincie te organiseren. Deze benoemt een prefect die de hoogste autoriteit krijgt in het lokaal bestuur en de rechtspraak. Hij wordt ook commandant van de gelegerde troepen en krijgt als belangrijkste taak het heffen van de belastingen. Om dat belastingstelsel van de grond te krijgen, moet de bevolking in kaart gebracht worden gebracht en in 6 of 7 na Christus organiseert Quirinius de beroemde census die deel uitmaakt van het kerstverhaal in Lucas 2 (en die daar dus onterecht gesitueerd wordt in de tijd van Herodes de Grote, iets meer dan tien jaar eerder).

De stichting van de Romeinse provincie Judea gaat vergezeld van de opkomst van de Zeloten, de benaming voor groepen guerrillastrijders van lage komaf, die zich gewapend verzetten tegen de Romeinen en tegen Herodes Antipas. Zij beschouwden God als enige autoriteit en strijden tegen de census en tegen de veel te hoge belastingen. Judas de Galileeër, de ‘stichter’ van deze groep 'vrijheidsstrijders', vinden we in het boek Handelingen (5:37). Gaandeweg verwerven de Zeloten steeds meer aanhang en steun onder de uitgebuite en steeds meer verarmde bevolking.

Vanaf 6 na Christus is er dus een Romeinse gouverneur aanwezig in Judea, terwijl Herodes Filippus en Herodes Antipas als Romeinse vazallen de andere gebieden van het Joodse grondgebied besturen. Na verloop van tijd valt steeds meer gebied onder direct Romeins gezag. Herodes Agrippa I is de laatste koning uit de dynastie die nog over een substantieel gebied geregeerd heeft (37-44). Hij is degene die Jakobus' dood verordent en Petrus gevangen laat zetten (Hand. 12:1-19). Ook het verhaal van zijn dood vinden we in het Nieuwe Testament (Hand. 12:20-23).

Tussen de stichting van Judea als Romeinse provincie en het uitbreken van de grote joodse opstand in 66 zijn er een groot aantal gouverneurs geweest, waarvan de beroemdste zonder twijfel Pontius Pilatus is. Aanvankelijk respecteren de Romeinse magistraten de joodse gebruiken nog. Zo hoeven de joden bijvoorbeeld niet de keizer een als een god te aanbidden. Later, en dan vooral in de jaren voorafgaand aan het rampjaar 66, worden de gouverneurs steeds incompetenter en corrupter. Zij misbruiken hun post voor eigen financieel gewin en trappen de joodse religieuze en nationale gevoelens soms zelfs moedwillig op de tenen.

De spanning tussen de Romeinse overheersers en de inheemse bevolking loopt hoog op. Zo haalt een Romeinse soldaat zich de volkswoede op de hals als hij tijdens Pesach 'zijn gewaad optilt en zijn achterwerk naar de in de tempel vergaderde joden keert'. De soldaten worden vervolgens door de menigte met stenen bekogeld, waarna de Romeinse gouverneur zijn leger de opdracht aan te vallen. In de daaropvolgende paniek worden volgens Flavius Josephus 30.000 mensen doodgedrukt. Een ander incident wordt geprovoceerd door de Zeloten (of zoals de Romeinen hen noemen: de 'bandieten'). Zij vermoorden en beroven een slaaf van keizer. Als represaille laat de Romeinse gouverneur een aantal omringende dorpen plunderen, waarbij een soldaat een heilige boekrol van de tora verscheurt. De gouverneur voorkomt nog net een algehele opstand door de bewuste soldaat terecht te stellen.

In de laatste jaren nemen dergelijke incidenten in aantal toe, waardoor de situatie dermate instabiel wordt dat er in 66 een massale opstand uitbreekt. Dat is het begin van de eerste Joodse oorlog (66-74), die zou leiden tot de verwoesting van Jeruzalem en van de tempel.

Zie ook: Romeinse overheersing (tot 6 n. C.)Romeinse overheersing (tot 6 n. C.)

Heeft betrekking op:

Lucas 20:20, Johannes 11:48