Overzicht bijbelboeken

Cultuur > Feesten

Rondom het jaar

‘Rondom het jaar’ heet de eerste grotere deelbundel in het eerste boek van Het joodsche lied van Jacob Israël de Haan. De dichter herdenkt in ‘Rondom het jaar’ de feesten van zijn jeugd in een verlangende terugblik naar vroeger. Gedichten over het joodse nieuwjaar, Grote Verzoendag, het Loofhuttenfeest, Vreugde der Wet, Chanoeka, het Lotenfeest of Poeriem, Pesach, het Wekenfeest, de zeventiende tammoez en de negende ab komen in volgorde van het kalenderjaar aan bod.

Het gedicht ‘Rondom het Jaar’ staat helemaal aan het begin van de deelbundel, als een soort inleiding. ‘Het Joodsche jaar’ en ‘Mijn keuze’ sluiten de bundel af. Die buitenste cirkel van drie gedichten bevat het achterliggende thema ervan en stuurt de interpretatie. De dichter geeft aan nooit te kunnen terugkeren naar de vreugde van toen, hoe graag hij ook zou willen:

Ik kan niet keeren, ik kan niet verdragen
Wreede vervreemding, die mijn vreugd doorwroegt.
Er is geen dag, die mijn hart meer vernoegt
Sinds ik verloor het heil dier Heilge Dagen.
...
Nu ben ik een verlatene, verlangen
Verbijt mijn hart naar 't schoon, dat ik verstiet
Hatend en smadend, keeren kan ik niet,
En wat heeft mijn hart voor troost dan wat zangen?

De dichter heeft zichzelf buiten de kring van geloofsgenoten geplaatst waarin hij vroeger geborgen was. Hij verlangt terug naar het volk waartoe hij ooit behoorde. In het een na laatste gedicht ‘Het joodsche Jaar’ spreekt de dichter een ‘jij’ aan:

Gij biedt mij schatten onder dit beding
Dat ik niet hooploos naar mijn Volk verlang
En met u wegleef in feesten en vreugd.

Ik weiger, want enkel herinnering
Aan mijn Heilge Dagen en daarvan zang
Is meer waard dan uw Vriendschap en uw Jeugd.

De ‘ik’ verkiest het vruchteloos te blijven verlangen naar vroeger, en wijst de troost van de vriend of vriendin uit het gedicht af. Uit ‘Mijn Keuze’:

Gij zegt: ‘Maar is mijn Vriendschap dan niet meer
Dan die dagen waard van vasten en feest
Om vreugd en leed van 't volk, dat gij verliet?’

Ik antwoord: ‘Neen, wetend, dat ik nooit keer,
Weet ik ook, hoe schoon mijn jeugd is geweest,
En uw Vriendschap vertroost mijn wroeging niet.'

Tegen deze problematische achtergrond dienen de gedichten van De Haan gelezen te worden. Het is dan ook bij tijd en wijle niet bepaald vrolijk in die gedichten.
Maar gelukkig spreekt er ook kracht uit, vooral waar de liederen strijdbaar worden en de dichter de vijand om de oren slaat, zoals de Russen in ‘Negen Ab II’:

Op, op, mijn Lied, schrei nu om wreede wraak
Laat af van liefde, ons is de wraak het hoogst.
Gij schreit: ‘Vader, wees ons een wisse wreker
Zend uwe ziekten, dieptreffend en zeker
Sla land en steden van de Russen raak
Met honger: want wij hebben daar geleden
Honger, die vlijmt. Slaat hen met heete dorst:
Zij hebben ons geslagen, volk en vorst.

De Haan voltooide Het joodsche lied. Eerste boek in 1915, bij terugkeer van een verblijf in Rusland. In de laatste jaren van het tsaristische bewind werden veel joden in Rusland van bolsjewisme beschuldigd en gevangengezet. De Haan is in die tijd naar Rusland gegaan om voor hen te pleiten.

Ook in de oproep om naar het ‘eigen Land’ en naar Jeruzalem te gaan klinkt kracht en strijdbaarheid door. 'Wacht niet tot Elia je komt halen, maar ga nu alvast!' is de boodschap. In ‘Na de Paschen III’:

Wacht niet bij Brood en Wijn: het einde is daar van 't wrange wachten,
(Uw Dichter spreekt, versta zijn Stem)
Maak u los van elk land, trek op, herstel uw rijke machten
In 't nieuw Jeruzalem.

Dan kan, dien het hongert, zijn eigen Land vrij binnentreden,
Oogsten winnen van 't eigen zaad,
O, 't volgend jaar vinde ons thuis, wij hebben genoeg geleden,
Van elk volk kwaad en smaad.

Bibliografische referenties

Jacob Israël de Haan, ‘Rondom het jaar’ in: Het joodsche lied. Eerste boek. in: Verzamelde gedichten I. Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1952. [De volledige tekst is ook te vinden in de DBNL.]

Heeft betrekking op:

Deuteronomium 16:1-17