Overzicht bijbelboeken

Over > Bijbelse wereld

Rouwen

Het is niet verwonderlijk dat ook mensen in de bijbel huilen als ze verdriet hebben (2 Sam. 19:1). Andere uitingen van verdriet kunnen vandaag de dag wat vreemder overkomen, terwijl ze in bijbelse tijden volkomen normaal waren. Bijvoorbeeld het ‘scheuren van de kleren’ en het dragen van een rouwgewaad (Hebr. saq, vandaar 'in zak en as'). Dat doet bijv. Jakob als hij beseft dat zijn geliefde zoon Jozef dood is (Gen. 37:34; vergelijk 2 Sam. 3:31). Een rouwgewaad was gemaakt van een ruwe stof, waarschijnlijk geiten- of kamelenhaar; het had een donkere kleur (Jes. 50:3). Het gewaad werd niet alleen gedragen bij rouw en verdriet, het kon ook gedragen worden bij boetedoening. In die gevallen wordt gesproken van een 'boetekleed': de tot inkeer gekomen bewoners van Nineve hullen niet alleen zichzelf maar zelfs hun dieren in 'boetekleden' (Jona 3:8; vgl. ook Judit 4:10-12).

Een andere rituele uiting van verdriet is het werpen van stof over het hoofd. Na haar verkrachting door Amnon, rouwt Tamar om het verlies van haar maagdelijkheid. Dat doet ze niet alleen door het kapotscheuren van haar veelkleurig gewaad, maar ook door het werpen van stof over haar hoofd (2 Sam. 13:18-19). In het boek Jeremia gaat het rouwbetoon nog een stap verder. In een profetie wordt het volk opgeroepen te rouwen op de volgende manier: 'Hul je in het zwart, mijn volk, wentel je in het stof. Rouw als om een enig kind, klaag met bitter rouwbeklag.' (Jer. 6:26).

Het 'rouwbeklag' waarover Jeremia spreekt, komen we vaker tegen. David zingt bijvoorbeeld een ‘klaaglied’ naar aanleiding van de dood van Saul en Jonatan (2 Sam. 1:17-27). Het zingen van klaagliederen werd vaak door vrouwen gedaan. De profeet Jeremia heeft het over 'klaagvrouwen', die hun dochters een klaaglied leren (Jer. 9:16-17; 19). Ten slotte lezen we nog over vasten als deel van een rouwritueel (bijv. 2 Sam. 1:12).

Sommige uitingen van rouw waren verboden, zoals het afscheren van baard en hoofdhaar (Lev. 21:5; vgl. Jes. 15:2). Dat neemt niet weg dat Ezra, als hij hoort van de dwaling van het volk, zijn kleren scheurt en het haar uit zijn hoofd en uit zijn baard trekt (Ezra 9:3). Ook het zichzelf snijden en verwonden als teken van rouw was verboden (Deut. 14:1; vgl. Jer. 16:6); de God van Israël moet niets van dit soort religieuze praktijken hebben (vgl. 1 Kon. 18:28; Hos. 7:14).

De rituele uitingen van rouw en boetedoening gebruiken de symboliek van zelfvernedering. Zowel rouwende als boetende mensen verscheuren hun gewone kleren en hullen zich in 'zak en as'. As, stof en zand zijn symbolen voor iets wat klein of waardeloos is. Abraham ziet zichzelf bijvoorbeeld als 'stof en as' ten opzichte van God, en Job vergelijkt het betoog van zijn vrienden met stof, waarmee hij bedoelt dat hun woorden waardeloos zijn. Ten slotte is nog vermeldenswaard wat Ester (volgens de deutero-canonieke toevoeging) doet voordat ze 'in doodsnood, haar toevlucht bij de Heer' zoekt: ze trekt haar mooie kleren uit en hult zich in een rouwgewaad, en in plaats van parfum werpt ze stof en zelfs 'vuil' over haar hoofd en besteedt op geen enkele manier aandacht aan haar lichaam (Ester Grieks C:12-13).

Zie ook

  • Toon terzijde Bertus Aafjes - Arenlezer achter de maaiers

Heeft betrekking op:

Genesis 37:34, Joël 1:8, Joël 1:13, Joël 2:12, 1 Kronieken 21:16, Job 16:16, Ester 4:1, Ester Grieks C:13, Ester Grieks 4:1, Jona 3:6, Judit 9:1, 2 Samuël 21:10, 2 Samuël 3:31, 2 Samuël 13:18, Jeremia 9:16-19, Jeremia 4:8, 1 Koningen 20:31, 2 Koningen 19:1, Nehemia 9:1, Psalm 35:13, Jesaja 15:3, Klaagliederen 2:10, Daniël 9:3, Matteüs 11:21, Matteüs 26:65, Baruch 1:5, Numeri 14:1, Ezechiël 7:18, Ezechiël 24:17, Ezechiël 27:30-31, Wijsheid van Jezus Sirach 22:11-12, Wijsheid van Jezus Sirach 38:16, Nehemia 1:4, Nehemia 9:1